De voortgang van dit verhaal hing samen met de voortgang van het Nederlands elftal tijdens het WK 2022. Elk hoofdstuk is geschreven na elke wedstrijd, gebaseerd op die wedstrijd. Voor het verhaal, en Nederia (en Nederland), moest Nederland dus zover mogelijk komen!
Het verhaal:
Alleen twaalf heuvels resteren van het ooit prachtige land Nederia, de rest is overstroomd met het mysterieuze en dodelijke Duisterwater. Zullen de eigenwijze overlevenden, waaronder Luwen, de oorzaak van de ten ondergang ontdekken, en belangrijker, een manier om alles te herstellen?
Onderaan de pagina kan je je opgeven om notificaties te ontvangen bij het publiceren van een nieuwe hoofdstuk.
Kleine notitie van de auteur: als Engels geen probleem is wordt aangeraden om die versie te lezen. De verhalen zijn hetzelfde.

Elf van Oranje
Ooit was Nederia bekend als de meest wonderbaarlijke natie ter wereld. Nu is het land een fluctuerende zwarte massa, met alleen twaalf bewoonbare sprieten grond waar het restant van het volk leeft. Van een ooit utopische natie volhardt alleen een eigenwijze stam die al eeuwen strijden om te overleven. Terwijl hun wereld guurder wordt, is een licht meer dan ooit nodig.
Hoofdstuk 1.
Raak het water niet aan.
De woorden brandden in Luwens hoofd. Z’n focus nam toe terwijl hij haastig sprong over de stapstenen die boven het Duisterwater uitrijzen. Hijgend, plaatste hij z’n voeten met nauwkeurigheid om elke misstap te vermijden, voorkomend dat hij in de schuivende pikzwarte zee beneden hem zou kelderen.
Raak het water aan, en je wordt misvormd, of gaat dood.
De woorden van z’n moeder, een constante herinnering sinds voor hij wist wat doodgaan betekende, voor hij kon praten. Wreed, maar noodzakelijk. Hij zou ze onthouden met hetzelfde belang als hoe te eten.
Eén van z’n tegenstanders sprong hoog door de lucht, en stak stapstenen over veel sneller dan Luwen ooit zou kunnen. De grijze schaduw landde op een stapsteen minstens twintig meter verder, terwijl Luwen tevreden moest zijn om er één drie meter verder te halen. Hij moest de kleinere stapstenen gebruiken omdat de grotere te ver uit elkaar stonden. Een andere tegenstander draaide naar hem, en bereidde een worp met een stenen projectiel voor. Deze werd met monsterlijke snelheid naar Luwen gegooid. De steen doorboorde de dunne mist die was afgedaald van de bewolkte hemel.
Luwen bukte. De steen schramde z’n bruine haar, maar raakte hem verder niet. Hij keek omhoog en scande gejaagd z’n omgeving. Twintig van de grijze schaduwen, sommige duidelijker dan andere, sprongen rond over de stapstenen die vastzaten aan lange stenen pilaren uitstekend boven het Duisterwater. Allen konden verder springen dan hem. Het aantal leek echter af te nemen. Sommigen waren al in het water gevallen.
Luwen draaide naar links. Een duidelijkere schaduw, Eziel, sprong naar hem toe, knuppel in hand. Luwen hield z’n eigen knuppel, een zwaar, bot stuk eikenhout, klaar ter verdediging. Hij wist wat hem te doen stond.
Eziel maakte z’n laatste sprong en hief z’n knuppel in de lucht om aan te vallen. Eziel stortte bijna neer op Luwen, een aanval die onmogelijk te blokken zou zijn. Luwen stapte behendig naar de zijkant, en ontweek de klap. Hij hield z’n eigen wapen omhoog, en slingerde het met al z’n kracht, hopende dat het Eziel in het water zou stoten. Z’n tegenstander bereidde snel een blok voor, en weerstond de klap ogenschijnlijk simpel.
Luwen gromde. Dat was z’n beste poging. Hij en Eziel wisselde verschillende klappen uit, waarbij Luwen volledig op de verdediging moest focussen. Eziel vond een opening en schopte hem in de borstkas.
De schop stuurde Luwen vliegend over het water. Hij botste hard tegen de zijkant van een stapsteen. Iets warms zwol op van binnen. Met een snelle reflex lukte het hem om met z’n rechterhand de zijkant van de stapsteen te pakken alvorens hij naar beneden viel.
Hij fronste. Hoe heb ik dat gedaan? Ondanks de onverwachte redding door hem zelf, had z’n hand nog steeds moeite om vast te houden.
De steen begon te kraken.
Hij beet op z’n lip. Niet zo gemakkelijk. Niet zo verdomd gemakkelijk.
Hij spande z’n spieren aan, schreeuwde toen die z’n limiet bereikte, en probeerde de rand te pakken met z’n linkerhand.
Het lukte. Hij trok zichzelf omhoog en ging languit liggen op de stapsteen, z’n benen hangend over het einde. Hij ademde zwaar terwijl hij probeerde uit te vogelen hoe hij de val had overleefd.
Een schaduw rees over hem.
“Het spijt me, Luwen,” zei een stem. Het was Eziel. Hij klonk raar genoeg verdrietig. “Geen medelijden vandaag. We zijn met teveel.” Eziel duwde z’n voet in Luwens zij.
Luwen had niet genoeg kracht om de krachtige duw te weerstaan. Hij gromde en greep naar wat die maar kon, maar er was niks om te grijpen.
“Verdomme, Eziel!” Hij werd van het platform geforceerd. In een laatste toevlucht, greep hij weer naar de kant, maar deze keer slipte deze weg van hem. Z’n blik werd hol. Hij viel van de stapsteen en kelderde naar beneden. Hij graaide met z’n handen naar boven, maar er was alleen lucht.
Dit was het. Nee. Nee. Nee!
Er was geen redding in de laatste seconde. Z’n lichaam donderde het Duisterwater in. De vloeibare duisternis omhulde zijn lichaam. Een erg sterke Nederiaan kon de corrosieve zee voor wellicht tien seconden weerstaan voordat het hem zou misvormen, en tien meer voor het hem zou doden, maar Luwen was niet eens dichtbij die sterkte. Hij was zwak. Hij wist dat hij een sterke wil had, maar z’n lichaam was zwak. Hij was altijd eerlijk met hem zelf geweest over dat feit. Terwijl het Duisterwater beet aan z’n lichaam, trok hij aan het dikke water in wanhoop, hopende genoeg beweging te krijgen om te zoeken naar de dichtstbijzijnde stapsteen, het enige in het Duisterwater. Geen boot of ander materiaal kon lang overleven in dit water. Een pilaar klimmen was z’n laatste minuscule kans voor overleving. Langzaam bewoog hij door de duisternis, elke slag deed pijn aan z’n lichaam en verminderde zijn hoop dat hij steen zou vinden voor z’n laatste seconden over waren.
Er was geen steen.
Zijn tijd was op. Al twintig seconden waren verstreken. Z’n lichaam zou snel opgeven.
Dat deed het niet. Z’n lichaam ging door. Het Duisterwater pijnigde hem, maar veel minder dan hij zich had ingebeeld en voor voorbereid. Wat in Areos is dit?
Fronsend, zetten hij z’n weg voort. Het kostte hem meer dan een minuut voor hij een pilaar had gevonden in de duisternis, maar de kracht had z’n lichaam niet verlaten. Hij greep de stenen kolom en begonnen met klimmen. Koude lucht raakte z’n huid. Toen hij volledig het water verlaten had, de pilaar omklemmend, gunde hij zichzelf een adempauze. Hoe in de wereld ben ik nog levend?
Alle springende schaduwen van eerder, andere Nederianen, hadden de geïmproviseerde arena verlaten. Luwen beklom een pilaar van een paar meter hoog en bereikte de stapsteen. Nog steeds fit genoeg om te bewegen, sprong hij naar het dichtstbijzijnde eiland: Midden-Heuvel.
“Luwen, ben jij dat?” Eziel staarde naar hem met een blik van ongeloof. “Je zou niet moeten leven. Ik heb gekeken of je snel genoeg een pilaar had gevonden. Maar dat had je niet. Je bent dood.” Ondanks dat Eziel gespierd was, was het afschuwelijke grijze lichaam dat ze allemaal hadden nog steeds zichtbaar. Hun ruige, ongelijke huid was een pijnlijke herinnering voor Luwen hoe het Duisterwater de lichamen van hun voorouders had misvormd. Echter had niemand enig idee waarom die duizend het hadden overleefd terwijl er miljoenen waren doodgegaan.
“Eigenlijk ben ik springlevend,” zei Luwen zakelijk. Hij landde op het gewone zwarte gras. Het zwarte gras waar niks groeide en hem depressief maakte. Schijnbaar waren de tijden beter toen het gras oranje was, voor de Grote Overstroming. Nu kwam hun enige voedsel van zorgvuldig gecultiveerde gewassen in het dorp, waar ze maar weinig van hadden. Het enige water dat ze konden drinken kwam van regen verzameld in potten en gereinigd door magische apparaten van de uitgestorven Elfen.
Met sterke passen benaderde hij de tien mannen die dichtbij zijn leeftijd waren, allemaal tussen de twintig en dertig. Zijn bruine leren schoenen dropen nog terwijl hij dichtbij kwam en hun verscherpte blikken kon zien. Waarschijnlijk probeerde ze erachter te komen hoe hij het had overleefd, of pasten ze op met dichtbij hem te staan. De meeste waren volledig droog, behalve twee die ook zwarte bulten op hun gezicht en lichaam hadden. Die bulten waren er vantevoren niet.
Bovenop de heuvel wachtten verschillende ouderlingen en andere mannen en vrouwen op hun voor de houten muren die de huizen van Midden-Heuvel bewaakte. Ze kwamen van alle twaalf heuvels voor deze beproeving. Hetzelfde als Luwen, waren het de enige soort Nederianen over, een verder naamloos ras omdat ze hunzelf niet waardig vonden van een naam. De geschiedenis sprak over Elfen, Dwergen, Orks, en Mensen die vredig samen leefden in Nederia, alhoewel de Elfen in dezelfde zin noemen was een belediging voor de rest.
De Elfen hadden de andere rassen verraden, zo wist Luwen en iedereen. De Elfen hadden de Grote Barrière vernietigd, waardoor het mystieke Duisterwater heel Nederia kon opslikken, behalve de heuvels in midden waar een honderdtal Nederianen per heuvel konden leven.
Kut Elfen, concludeerde Luwen wederom. Door hun, waren de Nederianen aan zichzelf overgeleverd, vergeten door iedereen, zonder manier om het Duisterwater te bevaren, zonder contact met de buitenwereld, als er die zelfs nog was. Ze wisten nu niks, behalve overleving.
Myra, een vrouwelijke Nederiaan van tweeënzestig en de oudste, meest gerespecteerde ouderling kwam naar hun toe. “Jullie zouden met maar tien terug moeten komen,” Myra sprak met een strenge en raspende stem, aangetast door teveel blootstelling aan Duisterwater. Haar benige figuur bewees haar oude leeftijd, en daarmee de verminderde hoeveelheid eten die ze kreeg.
“We dachten dat we dat gedaan hadden,” zei Luro, Myra’s zoon. “Eziel beweerde dat Luwen het water was ingegaan er niet uitgekomen was. Dus, concludeerde we dat de beproeving klaar was.”
Myra draaide naar Luwen. “Aangezien hij nog steeds druipt lijkt het erop dat Eziel niet heeft gelogen, althans niet bewust. Luwen, waarom ben je niet misvormd of dood?”
Luwen haalde z’n schouders op. “Vertel jij het maar. Ik was in het water voor langer dan een minuut.”
De tien mannen draaiden naar hem en vloekte mompelend. Luwen bleef gefocust op Myra. Zij knipperde vluchtig met haar ogen en kantelde haar hoofd. Hij had haar nog nooit verward gezien. Een apart zicht.
“Je had dood moeten zijn,” zei ze. “En toch sta je hier… Ik weet niet wat dat betekent. Je hebt het verdiend om te leven, ondanks dat je zwakker bent.”
Luwen knikte. “Dat is wat ik ook had bedacht.”
Myra knikte terug. Ze draaide om. “Nu allemaal naar binnen.” Ze beklom de heuvel naar de verward uitziende menigte. Ze zagen er niet allemaal blij uit om Luwen te zien. Hij wist waarom.
De beproeving van leeftijd zou maar tien overlevenden moeten hebben, en was bedoelde om de sterkste te laten overleven. Er was niet genoeg voedsel voor een groeiende bevolking. Zijn voortbestaan betekende dat anderen dood zouden kunnen gaan, en voor hem het belangrijkste in z’n leven, z’n zieke moeder, wie een ouderling was. Iedereen boven de vijfenveertig werd benoemd tot ouderling, en zou daarmee ernstig verminderde porties eten krijgen, kliekjes, omdat ze werden gezien als een last voor de overleving van hun ras. Luwens vader had hierdoor niet de leeftijd van vijftig niet eens gehaald. En nu zou Luwen onrechtmatig eten en drinkbaar water van andere pakken. Misschien zou hij de rest van z’n leven van kliekjes moeten leven. Het zou dan geen lang leven zijn. Maar wat kon hij dan, behalve kinderen krijgen en deze akelige overleving voortzetten?
Het Duisterwater blokkeerde elke andere manier van leven. Ze wisten niet waar het vandaan kwam, laat staan hoe er vanaf te komen. Maar toch waren hij, en de meeste van zijn generatie, ontevreden over hoe het leven was, in tegenstelling tot sommige van de ouderlingen.
“Wat is dat in het water?!” een luide stem barstte uit van boven de heuvel.
Luwen draaide zich om, en zo deed iedereen. Z’n hart klopte sneller.
Iets kwam van het water. Geen golf, niks donkers. Maar een licht. Een gouden licht. Nee, niet gouden, Luwen corrigeerde zichzelf. Meer roodachtig. Een oranje licht. Het dobberde op en neer met de golven maar was er duidelijk boven. Een boot! Maar hoe kan het het Duisterwater weerstaan? Waar komt het sowieso vandaan? Er is niemand behalve wij.
Achter hem mompelde Myra. “Oh nee, niet hij.”
In stilte wachtten ze het groeiende licht af.
—

“Een enorme tsunami met naar verluidt duizend ogen benaderde het land en plofte erop neer. Boerderijen, dorpen, zelfs steden werden weggevaagd. Miljoenen stierven.”
Hoofdstuk 2.
De boot meerde aan op Midden-Heuvels strand.
Luwen staarde ernaar met open mond. Een boot! Het is een boot! Dus we kunnen wel het Duisterwater bevaren… De mogelijkheden…
De sloep was misschien tien meter lang en grotendeels vlak, maar zag er stevig uit. Zijn romp bestond uit dik wit houd, gegraveerd met wat leek op runen die oranje gloeide. Op de boot, stond een man. Niet grijs zoals hun, maar met een bleke, gladde huid en lang goud haar. Z’n lichaamsbouw was slanker dan die van hun, en z’n ogen waren niet blauw zoals hun, maar bruin. Ook over hem leek een oranje gloed te zijn. De man ging van bord en stapte op het zwarte gras. Onmiddellijk legde hij z’n hand op z’n knieën en begon te hijgen, uitgeput lijkend. De oranje gloed van hem en de boot vervaagde.
Myra liep naar de man. “Ik hoopte dat je dood was gegaan op je laatste moordreis,” zei ze koud.
De man hief z’n handpalmen op en z’n wenkbrauwen. “Onsterfelijkheid werkt niet zo. Dat zou je moeten weten.” Z’n stem was licht, maar z’n toon humeurig.
“Waarom duik je het Duisterwater niet in, Galendil? En test je die onsterfelijkheid van je?” vroeg Myra. Ze klonk serieus.
Wat gebeurt hier? vroeg Luwen zichzelf af, volledig verward. Myra kende deze man, die schijnbaar onsterfelijk was, en leek niet verrast over zijn aankomst of het bestaan van reizen over Duisterwater. De andere krijgers rondom hem leken dezelfde verwarring te hebben. Op de heuvel waren de gezichtsuitdrukkingen van de personen verschillend, vond Luwen. Sommige waren verward, behalve de ouderlingen. Ze zagen er ofwel ongelukkig uit, of met een blik die Luwen moeilijk kon onderscheiden. Hun ogen glommen raar en hun lippen trilden. Hoop. De aankomst van deze man geeft ze hoop, en angst. Hoeveel dan ook van elk. Luwen realiseerde ook iets anders. Onsterfelijk… In de geschiedenis waren alleen de Elfen onsterfelijk. Maar die zijn uitgestorven.
“Kan je me op z’n minst een adempauze gunnen voor je me vraagt om mezelf te vermoorden?” Galendil slaakte een diepe zucht. “Ben ik net voor, tijdens of na de laatste beproeving van leeftijd gearriveerd?” Hij keerde zich naar Luwens groep. “Elf? Dat is raar. Zijn er meestal niet twintig of meer voor de beproeving? Wat is er gebeurd?”
“Het zijn jouw zaken niet. Ga weg,” zei Myra.
Als deze man een elf was, waar Luwen nu vrij zeker van was, was Myra’s afdanking van hem erg begrijpelijk. De Elfen hadden hun verraden. Maar, deze man scheen hun gebruiken te kennen, en kwam van de buitenwereld. Z’n bezoek zou waardevol kunnen zijn.
“Wat gebeurt er hier? Wat heb je voor ons achtergehouden, moeder?” Luro sprak zich uit. Schijnbaar had hij vergelijkbare gedachten als Luwen.
Myra zuchtte. “Deze man betekent alleen maar problemen.”
“Is hij… een elf?” vroeg Deroan.
Galendil grijnsde. “Jullie zijn snel met het ontrafelen van zaken. Ik vraag me af wat er nog meer in die hoofden om gaat. Je hebt gelijk. Ja, ik ben een elf. De laatste om precies te zijn.” Hij sprak de woorden zakelijk, maar Luwen dacht een droefheid in z’n toon te horen.
“Jouw soort moet branden!” zei Kran. Niemand, behalve Galendil, leek het oneens te zijn met het sentiment.
Galendil zuchtte, alweer. Hij ging eindelijk rechtstaan, en Luwen kon zien dat hij niet zo groot was als hun, en zelfs korter was dan Myra. Galendil was maar net boven de twee meter. “Wat heb je ze verteld, Myra? Nog steeds dezelfde leugens?”
“Alleen de waarheid,” zei ze. “De Grote Barrière die ooit het grootste gedeelte van Nederia beschermde was vernietigd door jouw soort. Je bent net zo verantwoordelijk voor de vernietiging van ons land als het Duisterwater.”
“Oh echt? Dadelijk ga je beweren dat de Elfen ook verantwoordelijk zijn voor het Duisterwater. Zelfs in het oude Nederia was dat een beschuldiging nooit geuit tot het eind.”
Myra drukte haar lippen vlak op elkaar. “Oud Nederia… Nee, zelfs ik denk niet dat de Elfen daar verantwoordelijk voor zijn. De magie is daar te krachtig voor. Elfenmagie kan vernietigd worden, het Duisterwater niet.”
Galendil grinnikte. Langzaam maar zeker, kwam er een dwaze lach op z’n gezicht terwijl hij staarde naar Myra zonder te knipperen. “Dat kan het wel.” Toen draaide hij naar Luwen en de andere krijgers.
Luwens ogen werden groter. Duisterwater kan vernietigd worden?! De aankondiging veroorzaakte opschudding in hun groep en de menigte achter hun.
“Dat is onmogelijk!” riep Luro.
“We hebben alles geprobeerd!” voegde Eziel toe.
Elke krijger liep naar Galendil toe, die nog steeds bij z’n boot stond. Beschuldigingen, vragen, en woorden van verwondering werden naar de elf geslingerd. Galendil had z’n handen gehaakt voor hem en z’n ogen schoten over de menigte terwijl hij geduldig wachtte.
“Luister!” schreeuwde Galendil met autoriteit.
Tot Luwens verbazing werd iedereen stil. Galendil zette voort met een strenge toon.
“Jullie weten niet wie jullie zijn, net als jullie niet weten wat hier gebeurd is. Behalve de origine van het Duisterwater, weet ik alles! Ik heb de wereld verkend. Het is er nog steeds, met kleine en grote beschavingen. Ik kom hier elke vijfentwintig jaar, al zal niet iedereen me herinneren of gezien hebben. Er zijn ook tijden geweest dat niemand meeging… Maar! Er is een manier om het Duisterwater te bestrijden, meen ik. Een tempel ver hier vandaan heeft de sleutel. Het is van een uitgestorven ras dat ooit werd geconfronteerd met een zelfde dreiging, en er door verslagen werd. Iets onheilspellends had zich meester gemaakt van de jungle waar hun leefde. Ik heb redenen om te geloven dat hun dichtbij een manier waren om hun tegenstander te bevechten, maar ze gingen ten onder voor ze dit werkend kregen. Ik heb deze tempel met m’n ogen gezien! We moeten daar naar toe om te vinden wat dan ook hun hadden uitgevonden!”
“Nee!” bulderde Myra. “Dat zal je niet! Je hebt me m’n vader afgenomen. Je hebt me m’n man afgenomen. Je gaat me niet m’n zoon afnemen!” Ze was bijna aan het huilen, een prestatie waar Luwen niet van wist dat ze tot in staat was.
“Moeder…” mompelde Luro.
Galendil keek naar beneden, en pauzeerde. “Ik weet het… Dit is niet zonder prijs. Maar, Myra, dit is geen manier van leven. De mogelijkheden…”
Luwen zag het schuldgevoel in Galendils ogen, of wat hij waarnam als schuldgevoel in ieder geval. Hij had geen idee of iets dat Galendil ook maar zei waar was, maar hij stemde in met de laatste uitspraak. Dit is geen manier van leven.
“Waarom ga je deze sleutel niet zelf halen?” vroeg Eziel met een harde stem.
“Oh wauw, dat had ik zelf niet bedacht. Ik ga er dan maar weer vandoor.” Galendil hief z’n wenkbrauwen op en gromde. “In alle ernst, de tempel van Azzik wordt zwaar bewaakt. Ik heb wat… trucs. Maar ik ben niet zo sterk als jullie. Het is niet alleen de tempel, de weg daar naar toe is bijna even gevaarlijk. Het ras van de Elfen eindigde hetzelfde als de anderen in Nederia. Maar in tegenstelling tot de Elfen, leven de Dwergen, Orks en Mensen nog steeds in andere landen, vechtende met elkaar of anderen vaker dan niet. We moeten voorbij hun zien te komen. En dan zijn er nog… andere levende dingen in Areos. Wat ik voorstel is geen gemakkelijke opgave. Maar met de tien sterkste van jullie, hebben we een kans. Meer dan tien en dan trekken we teveel aandacht.”
“Waarom zouden we jou vertrouwen?” vroeg Luro, die er minder zelfverzekerd uit zag dan vantevoren.
Galendil slaakte een zucht. Het leek een gewoonte van hem. “Wat anders kan je doen behalve mij vertrouwen of doodgaan?” Hij liet de stilte in de lucht hangen. Toen kreeg hij weer één van z’n zelfvertrouwde, irritante grijnzen. “Als je mijn woorden niet vertrouwt, kijk naar wat ouderlingen jullie hebben laten doen. Waarom hebben ze jullie getraind in de kunst van het strijden? Jullie hebben geen vijanden hier.”
Deroan trok zijn hoofd naar achteren. “Nou, dat is simpel. Alleen de sterkste mogen overleven om onze bevolking klein te houden.”
“Sterkste betekent niet meest gezonde.” Galendil hield een vinger omhoog. “Je moet je leven riskeren om te bepalen wie de sterkste is? Er zijn veel betere manieren. En er zijn nog steeds teveel van jullie voor de hoeveelheid voedsel die hier groeit, schat ik in. Jullie weten het niet, maar jullie leven zijn jullie hierop voorbereid.”
Niemand reageerde. Voorbereid? Ons hele leven? dacht Luwen. Ze hebben dit voor ons geheim gehouden?
Na een paar moment, brak Eziel de stilte. “We kunnen simpelweg je boot nemen en weggaan zonder jou.”
Galendil schudde z’n hoofd. “Het loopt op kleine hoeveelheden magie. Je bedoelt te zeggen dat je al magie kan gebruiken?” Hij opende z’n hand om Eziel de tijd te geven om te reageren. Eziel zei niks en drukte alleen z’n lippen vlak op elkaar. Galendil ging door. “Oh, dat kan je niet? Wat vervelend. Zelfs als je dat kon, je zou niet weten waar je naar toe moet gaan, zowel over het Duisterwater als daarna. Dus stop met onzin te lullen.”
Luwen hield z’n hoofd schuin. Al. Hij vroeg kan je al magie gebruiken. Betekent dat dat we daar in staat toe zijn? Hij hield z’n mond dicht. Er waren teveel vragen en de spanning leek op te lopen. Iedereen leek het te voelen.
Er was ook iets anders. Angst en hoop. Sommige van de ouderlingen hadden het al laten zien, nu voelde Luwen en waarschijnlijk de anderen het ook. Zouden ze echt hun situatie kunnen veranderen? Maar ze wisten niks. Ze hadden niks gedaan. Luwen balde z’n vuisten. Nog niks. Als ze hun tien sterkste zouden sturen, zou er iets kunnen gebeuren? De vraag bleef onbeantwoord. Niemand zei iets. We zijn zolang alleen geweest. Ons hele leven.
Een nieuwe grote zucht kwam van Galendil. “Als jullie een wisten waar onze voorouders toe in staat waren. Ieder van jullie zou zelf de wereld zelf op marcheren.”
Myra fronste. “Als we zo krachtig zijn, of waren, dan waarom heeft het Duisterwater ons land opgeslokt?”
Galendil staarde uitdrukkingsloos naar voren, op zoek lijkend naar woorden. Het duurde een paar momenten. “Ik weet het niet.” Nog een pauze. “Hoe dan ook, we kunnen op zoek gaan naar antwoorden, op zoek naar wat er met ons land gebeurd, op zoek naar een oplossing. Vannacht blijf ik met jullie. Morgen, moet ik weer weg. De tien sterkte en willende kunnen met me mee. Dat is alles wat ik kan zeggen.” Hij liep naar het dorp zonder te wachten op een antwoord. Meer vragen werden gesteld maar hij negeerde ze allemaal.
Luwen stond stil in het zwarte gras. Een briesje waaide door z’n korte bruine haar. We moeten vertrekken. Om ons land te helpen. Dit is geen leven, niet echt. Buiten dat, als we vertrekken is er meer eten voor de ouderlingen en de kinderen. Hij had z’n keuze gemaakt. Maar, hij wist dat het simpeler was voor hem. Hij hoefde niet met deze potentiële gek mee. Er waren er tien die zichzelf sterker als hem hadden bewezen. Alleen als één daarvan niet mee wilde kon Luwen met Galendil mee. Niemand zei iets. Vannacht zouden ze nadenken over de woorden van Galendil, en ze bespreken met hun naasten. Luwen kon alleen wachten.
Ochtend kwam dezelfde als elke daarvoor. In hun kleine huis pakte Luwen een kleien kom en goot er heet water in, en voegde wat groentes toe. Hij gaf het aan z’n moeder die met haar ogen dicht in bed lag.
“Moeder, wakker worden. Hier is je eten voor vandaag,” zei hij. De kom was amper genoeg voor één maaltijd, maar z’n moeder zou er de hele dag mee moeten doen.
Langzaam ging de ogen van z’n moeder open en de lippen op haar gerimpelde gezicht krulde omhoog. Ze stak haar trillende hand uit en pakte de kom aan. “Dank je wel. Dit is teveel voor me.”
Luwen keek naar beneden. “Eet nu het kan, alsjeblieft.” Hij pauzeerde. “Ik ga mogelijk weg vandaag, voor altijd.”
Z’n moeder keek hem recht in de ogen aan. “Gooi je leven niet weg.”
Luwen gromde. Hij was het beu om hetzelfde gesprek te hebben als de hele avond ervoor. “Dat doe ik niet. Ik geloof hierin.”
“Het is roekeloos en er komt niks goeds van.”
Luwen balde z’n vuisten. “IK GA LIEVER HIER DOOD DAN DAT IK OVERLEEF WETENDE DAT IK JOU HADDEN KUNNEN REDDEN, GOEDE MENSEN HAD KUNNEN REDDEN, NEDERIA HAD KUNNEN REDDEN.” Hij ademde zwaar met z’n neusgaten wijd open.
Z’n moeder glimlachte, en grinnikte zelfs. “Ik weet het, zoon. Ik heb altijd geweten dat je dit pad zou bewandelen. Ik wilde dat je je eigen vastberadenheid kent.” Ze knuffelde hem. “Kom terug en bezorgd me kleinkinderen. Vertrek nu. Kijk of er plek is op Galendils boot.”
Luwen kantelde z’n hoofd naar de zijkant en bevroor. Z’n moeder kende hem te goed.
Na een tijdje pakte hij z’n uitrusting, zei vaarwel, en vertrok uit het huis waar hij z’n hele leven had gewoond, wetende dat hij snel zou terugkeren, of nooit.
Een open hemel begroette hem buiten. Overal renden personen rond. Het leek alsof het hele dorp wakker, wat waarschijnlijk klopte. De meeste liepen richting de houten poort, en Luwen ging met ze mee. Eenmaal daarbuiten kon hij de lage zon voelen schijnen boven het Duisterwater. Het Duisterwater reflecteerde niks, want zelfs het zonnelicht was niet sterk genoeg om die duisternis te verbreken. Beneden de heuvel had een groep zich verzameld en Galendil zat op de zijkant van z’n boot. Luwen daalde de heuvel af en bekeek welke krijgers waren bijeengekomen.
Allemaal. Alle tien krijgers die sterker waren dan hij stonden klaar met hun uitrusting aan en andere minimale benodigdheden. Luwens lip trilde. Meer dan dat hij aan zichzelf had toegegeven verlangde hij om mee te gaan. Dat hij nu moest blijven zorgde ervoor dat hij zich nutteloos voelde. Echter, niet iedereen was zo instemmend met de groep krijgers.
“Jullie zijn gehersenspoeld door deze man!” Myra had de hoop om de missie stop te zetten duidelijk niet opgegeven. “Hij weet meer dan dat hij nu zegt. Hier kunnen we ten minste met z’n allen leven! Het is niet veel, maar het is beter dan doodgaan! Wat als deze sleutel niet bestaat, of niet doet wat hij denkt?”
Luro zuchtte. “Het maakt niet uit, moeder.” Hij had z’n zelfvertrouwen terug na gisteren. “We gaan.”
“Het is gevaarlijk!” redeneerde Myra.
“We gaan.”
“Je kan doodgaan!”
“We gaan.”
“Ik sta het niet toe!”
Hierop pauzeerde Luro. “Het spijt me dat te horen. We gaan.”
Myra opende en sloot haar mond verschillende keren, struikelend op zoek naar woorden. Ze keek naar haar zoon, en zou zeker zijn vastberadenheid zien. Ze sloot haar mond en gaf Luro een korte knuffel. Daarna stapte ze terug.
Dat was mijn laatste kans, dacht Luwen bitter. Hij vond zichzelf egoïstisch voor de gedachte. Maar het maakte niet uit. Iedereen maakte zich klaar om te vertrekken.
“Oké dan, jongens.” Galendil stond op. Hij sloot z’n ogen. Een seconde later begon hij oranje te gloeien, daarna raakte hij de boot aan en de runen begonnen te gloeien hetzelfde als bij z’n aankomst. De elf wenkte de tien krijgers om aan boord te gaan. Luro ging eerst. Hij pakte de zijkant van de boot en controleerde het op stevigheid verschillende malen. Overduidelijk was hij bang om in te stappen. Het was onnatuurlijk voor hun om het Duisterwater over te gaan op de stapstenen na. Toch niet veel later waren alle tien de krijgers aan boord gegaan.
“Dat is het dan. Hopelijk hebben jullie van iedereen afscheid genomen.” Galendil begon de boot te duwen en keerde nog één keer om alsof het voor de laatste keer was. Z’n ogen stuitten op die van Luwen. Galendil stopte, z’n ogen nog steeds gefixeerd op Luwen. “Jij daar. Jij was de elfde van gisteren, of niet?”
Luwen knikte.
Galendil staarde langer naar hem. “Je was in het Duisterwater gevallen.” Het zou een vraag moeten zijn, maar was meer een uitspraak. Luwen knikte opnieuw. Er kwam weer een ongemakkelijk lange blik van Galendil. “Je was langer onderwater dan dat zou moeten, of niet?”
Luwen hield z’n hoofd schuin. “Hoe in Areos kan je dat weten?”
Galendil grijnsde. Weer zo’n irritante zelfverzekerde lach. Hij knikte langzaam en herhaaldelijk. “Jij gaat ook mee.”
Luwens ogen werden groter. “Nee… Maar… Ik ben zwakker dan de anderen.”
Myra schraapte haar keel. “Hij heeft gelijk. Hij is zwakker dan de anderen.”
Anderen protesteerden ook. Het was niet logisch voor Luwen om mee te gaan.
“Mond houden allemaal,” onderbrak Galendil hun. Hij was duidelijk geïrriteerd. “Ik zeg dat hij gaat, dus hij gaat.” Overduidelijk ging Galendil niet toegeven.
Er waren nog wat kleine protesten, maar Luwen had al instemmend geknikt naar Galendil en benaderde de elf. Hij zat neer bij de anderen in de witte boot, nog steeds verrast om wat er ook gebeurd was, maar niettemin glimlachend.
Eziel naast hem pakte z’n schouder vast. “Ik heb geen idee wat er gebeurd, waar we naar toe gaan, of wat er gaat gebeuren, maar ik ben blij dat je meegaat.”
Luwen lachte, en knikte begrijpend. Alle krijgers wisselden blikken uit en knikten naar elkaar. Vanaf nu zou het alleen hun samen met Galendil zijn. Ze denken allemaal net als ik, begreep Luwen. Als nodig zouden ze naar het einde van de wereld varen voor Nederia, als er één was.
Galendil duwde de boot weg van de kust, en sprong erin, nog steeds gloeiend. Ze lieten de heuvels van Nederia achter hun. “Dus, dit is anders dan elke keer hiervoor. Schijnbaar had ik plaats moeten maken voor één meer deze tocht.” Toen fluisterde hij zodat alleen degene in de boot hem konden horen. “Laten we hopen dat we onopgemerkt langs die klootzakken met donkere ogen komen.” Hij ging weer over op z’n normale volume. “Hoe dan ook, we zijn weg jongens, naar wat achter het Duisterwater ligt. Wees klaar.”
—

“Het is zevenhonderd jaar sinds de Grote Overstroming, maar de eerste annalen van Nederia gaan terug naar tweeduizend vijfhonderd daarvoor, veel ouder dan ik ben, voor de duidelijkheid. Ons land was vroeger welvarend, met prachtige gebouwen en mensen die leefden in harmonie met de natuur. Een magische utopie. Rassen leefden daar samen; Dwergen, Mensen, Elfen en Orks. Niemand wist welke inheems waren in het land, en niemand beweerde dat zij het waren, omdat het er niet toe deed. De hele natie was een baken van eenheid voor degenen die onderdrukt waren. De idealen van het land reisden over de grenzen heen, inspireerden het gewone volk en brachten tirannen ten val.”
Hoofdstuk 3.
De beweerde eindeloze zwarte oceaan, eindigde. Luwens mond viel open. Aan de horizon doemden monsterlijke grijze heuvels op. Bergen… Ze bestaan. Niet alleen hij was stomverbaasd, de hele groep staarde zwijgend toe. Galendil had zijn ogen dicht. Hij deed dat vaker wel dan niet en sprak maar weinig. Hoe magie ook werkte, kostte hem waarschijnlijk energie. Er ging nog een minuut voorbij terwijl ze dichter bij onbekende landen dobberden.
“Zeg, Galendil,” zei Eziel. “We hebben een hele dag gereisd. Ver, maar niet zo ver als ik me had voorgesteld. Waarom verzamelen we geen voedsel in dit land en reizen we terug naar Nederia?”
Galendil slaakte een karakteristieke zucht. “Dit witte hout heet Judal. Het is het sterkste magische hout dat er is en het kostte me jaren om het zo te vormen. Toch beïnvloedt het Duisterwater het, en één barst erin kan ons allemaal fataal zijn. Mijn magie en runen helpen het enorm, maar ik zal blij zijn om weer land te zien. We zitten nog niet hoog en droog.”
Luwen grinnikte. Eziel gromde en opende zijn mond om te spreken.
“Er is nog een reden,” zei Galendil voordat Eziel iets kon zeggen, en hij zweeg meteen. “We willen geen aandacht trekken… Er zijn wezens die niet blij met ons zijn. Als ze ons vinden, zitten we in een hoop stront hoger dan welke heuvel dan ook in Nederia.”
Eziel sloot zijn mond weer. Even zei niemand iets.
Na een tijdje bespraken Luwen en de andere krijgers onderling theorieën, terwijl Galendil zweeg. Dertig minuten later waren de bergen in omvang toegenomen en werden kleine witte pieken zichtbaar.
Er veranderde nog iets. Het water. Het werd doorzichtiger. Het was nog steeds Duisterwater, maar minder zwart dan voorheen. Dit ging zo door en een paar honderd meter voor de bergen was het water verbazingwekkend helder. Luwen had het nog nooit in zo’n hoeveelheid gezien. Er was echter nog iets anders in het water… Kleine beestjes die rondbewogen.
“Vis!” riep Deroan uit. “Er zit hier verdomde vis! Dieren!”
Een aantal van hen hapte naar adem en ze gingen allemaal naar een kant van de boot om de genoemde vissen te zoeken. Luwen staarde met grote ogen. Hoe geweldig. Zulke kleine levende wezens.
Een hoorbare zucht van Galendil. Luwen wendde zich tot hem. De elf lag ontspannen achterover en gloeide niet meer oranje, net als de runen op de boot. “Je kunt het water aanraken.”
Luwen bevroor. Galendil zei de woorden alsof ze niets betekenden, maar voor hem gingen ze in tegen alles wat hij kende. Voorzichtig stak hij zijn hand uit. Hij hield zijn vingertop boven het water en aarzelde. Toen brak hij het oppervlak en stak langzaam zijn hele hand erin. Hij wachtte.
Er gebeurde niks.
“In de naam van Areos! Het water doet geen pijn!” schreeuwde Kirn.
“Het is net als gewoon water!” voegde Eziel toe. Hij pakte een handvol water en stopte het in zijn mond. Toen spuugde hij het net zo snel weer uit. “Het is nog steeds giftig als je het drinkt!”
Galendil zuchtte. “Het is niet giftig, idioot. Het is zout. Je gaat er niet aan dood, maar drink het niet.”
Luwen en de andere krijgers knikten. Luro pakte meer water en spetterde het in de boot. Gren, die tot nu toe het water had vermeden, werd bespat en slaakte een schrille gil.
Iedereen lachte en begon naar elkaar te spetteren. Luwen voegde zich vrolijk bij hen. Er is hier genoeg water om te verspillen! In zijn ooghoek zag hij Galendil zuchten, en ook een serieuze blik op z’n gezicht, maar de elf liet hen verder met rust.
Ze kwamen aan bij de bergen. Er stroomde een rivier tussenin en Galendil gebruikte één of andere vorm van magie zodat ze stroomopwaarts konden varen. Luwens ogen schoten rond, maar er was te veel om naar te kijken. Enorme rotsen. Groene bomen. Groen! Ze waren de eerdere bergen gepasseerd en het land werd vlakker.
“Galendil,” zei Kevan, “we hebben geleerd dat al het gras oranje is. Maar hier is het dat niet.”
Galendil zuchtte, of gromde zacht. “Alleen gras dat inheems is in Nederia is oranje. In andere landen is het meestal groen.”
De elf leidde de boot naar de kust en ging van boord. “Welkom in de rest van Areos, jongens! Zet je eerste stappen op land dat onaangetast is door Duisterwater.”
Luwen staarde naar de grond. Er waren zoveel kleine dingen… Kleine groene bladeren en sprieten en andere dingen. Alsof de grond leefde. Hij was niet de enige die op deze manier staarde. Hun ogen dwaalden door de kloof vol groene bomen en struiken die Luwen nog nooit eerder had gezien.
Kirn was de eerste die van boord ging. Hij controleerde of de grond stevig was en stak toen zijn duim omhoog op naar de anderen. Galendil zuchtte, maar uiteindelijk verliet iedereen de boot en stond weer aan land.
“Dus,” begon Galendil, “er is een pad door deze laatste bergen. Dan zijn we er voorlopig vanaf, in ieder geval voor een tijdje. We reizen westwaarts door Areos. Hoe verder we naar het westen gaan, hoe gevaarlijker het wordt. Vooral als we de Poort van Kur passeren, als we die al passeren. Dat is ons eerste doel.”
“Is ons eerste doel niet de tempel?” vroeg Eziel.
Galendil bewoog zijn lippen opzij. “Nou, dat is ons einddoel, of in ieder geval onze bestemming. Denk daar voorlopig niet eens aan. We hebben nog een lange weg te gaan en we hebben bij elke stap de volledige focus van iedereen nodig. Nu moet ik gaan zitten.” Galendil ging letterlijk meteen zitten. “Ik weet dat deze plek nieuw voor jullie is, hoe vervelend ook. Dus neem het allemaal in je op. Krijg die nieuwsgierigheid uit je systeem zodat we er klaar mee zijn. Ondertussen ga ik even uitrusten. Ik ben uitgeput van de reis… en van jullie.” Galendil zweeg even. “Wees op je hoede en trek niet te veel aandacht. Ga nu.” Galendil wuifde ze weg met zijn handen en ging met zijn handen achter zijn hoofd in het gras liggen en sloot vervolgens zijn ogen.
De groep verspreidde zich alle kanten op. Elke man ging naar een hoek of een boom inspecteren. Luwen ging met Tan naar een kleine verzameling van planten met verschillende felle kleuren. Ze knielden voor hen neer en Luwen pakte er een op. Het had paarse bloemblaadjes op de top. Een bloem! Luwen staarde er met open mond naar.
Een paar meter verder streelde hij de bast van een boom. Verbaasd staarde hij naar de dikke stam en de talloze takken die eruit groeiden. Hij greep een stevig uitziende tak, begon te klimmen en keek de omgeving rond. De andere Nederianen, behalve Galendil, renden alle kanten op. Sommigen waren het water ingegaan en probeerden zich te verplaatsen zonder te verdrinken. Hoe beweegt men zich sowieso in water? vroeg Luwen zich af.
Hij bereikte de top van de boom en staarde over de prachtige kloof, nauwelijks gelovend waar hij was en dat deze plek bestond.
Een piepend geluid van achter hem.
Zijn hart klopte sneller. Hij draaide zich om. Een klein grijs knaagdier haastte zich weg van zijn hol en kroop over Luwens voet. Wat in Areos is dat?! Luwen deed instinctief een stap achteruit en probeerde bij het dier weg te komen. Hij raakte z’n balans kwijt en viel drie meter naar beneden uit de boom. Met een klap raakte hij de zachte vloer. Hij krabde op zijn hoofd. Afgezien van de schade aan z’n trots, waren er geen verwondingen. Het knaagdier rende de boom af en weg, nu in het volle zicht van de anderen.
“EEN DIER! PAK HET!” riep iemand.
Luwen was nog bezig met opstaan toen tien mannen het snelle dier begonnen te achtervolgen terwijl het zich door de struiken haastte. Galendil leek geen aandacht te schenken aan de gebeurtenissen en bleef stil in het gras zitten.
Nadat hij was hersteld, ging Luwen mee met de jacht op het knaagdier, dat sommigen een konijn noemden. Uiteindelijk haastte het zich in een spleet in de rotsen die te klein voor hen was. Hierdoor waren ze allemaal teleurgesteld. Toen vonden ze iets dat nog kleiner was dan dieren of planten. Op de grond kropen miniatuurwezens, velen bij elkaar.
“Gekrompen dieren,” zei Eziel terwijl hij zijn kin streelde.
“Dit zijn nou insecten, idioot,” verduidelijkte Deroan.
De groep volgde nu de insecten. Luwen vond zelfs vliegende exemplaren met mooie vleugels.
De belangstelling voor dieren en insecten verdween even snel als dat die gekomen was. Luwen en vijf anderen waren begonnen met in bomen en rotsen te klimmen en van de één naar de ander te springen. Zulke hoogtes hadden ze nog nooit meegemaakt. Meer dan dat, op de grond vallen was lang niet zo gevaarlijk als vallen in het Donkerwater, hoewel ze door hun vaardigheid handig waren. Sommigen van hen vielen nog steeds, van enkele meters hoog, of schatten hun kracht verkeerd in en stortten zich regelrecht in de rots. Gelukkig leverde dat bijna geen pijn of echt kwaad op. Ons lichaam is sterker dan we denken, concludeerde Luwen.
Hij schreed voort en dompelde een teen in het water, nog steeds niet zeker wetende of hij erin zou gaan.
Een duw van achter. Hij verloor zijn evenwicht en viel in het water. Hij zwaaide met zijn handen en benen in het rond in een poging niet te verdrinken. Toen vonden zijn voeten de grond en ontdekte hij dat hij gewoon in dit deel van het water kon staan. De mannen om hem heen lachten toen hij bijkwam van zijn paniek.
Hij keek omhoog en staarde naar de enorme klif. Enorme bruine rotsen bedekt met klimplanten waardoor ze bijna voor de hemel verborgen waren. Een klein rood uitsteeksel aan de rand van de klif hing over hen heen. Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes en hield zijn hoofd schuin terwijl hij naar de vreemde formatie staarde.
Het bewoog.
Het was geen steen. Het slingerde lichtjes, maar niet als een plant, maar alsof het ademt.
“Wat is dat rode ding?” schreeuwde Luwen en wees ernaar.
De krijgers naast hem volgden de top van zijn vinger.
Het rode ding kwam los van de grond. Luwens ogen werden groot. Het was geen object, het was een wezen. Het was gehurkt en kon niet meer dan de helft van hun lengte zijn. Het droeg alleen een lendendoek en zijn huid was donkerrood met littekens erop en verschillende tatoeages in de vorm van een oog en het zag er… wild uit. Verachtelijk. Luwen had moeite om het wezen te plaatsen. Hij had nog nooit zoiets gezien.
Het wezen wendde zich tot hen. Zijn ogen waren heldergroen en zelfs van deze afstand zichtbaar. Het spreidde zijn armen en onthulde verschillende benige klauwen waar zijn vingers zouden moeten zijn. Toen groef het wezen zijn klauwen in de klif en daalde de klif af. Naar hen toe.
“Shit!” zei Luro. “Iedereen, kom uit het water! Het lijkt erop dat het ons aanvalt!”
Luwens hartslag nam toe. Hij was zo geïntrigeerd door het wezen dat hij niet had nagedacht over het mogelijke gevaar. Het wezen kroop nu snel van de klif af en Luwen haastte zich het water uit. Hij ademde sneller. Wat doen we? We hebben geen wapens!
Hij stapte op het land en draaide zich snel om. Het wezen was dichtbij hen met alleen de rivier ertussen. Het leek zichzelf van de klif te duwen en schoot de lucht in. Zijn klauwen strekten zich uit naar Luwen die probeerde iets te vinden om zichzelf te verdedigen.
Er was niets.
Het wezen met een dolzinnige glimlach was een meter verwijderd om op Luwen te botsen en zijn klauwen in hem te begraven.
Woosh. Een zucht wind.
Het wezen gilde terwijl het opzij vloog, achtervolgd door oranje deeltjes. Luwen draaide zich naar rechts om te zien dat Galendil wakker was geworden en oranje gloeide. Het wezen stortte enkele meters verderop neer. Het stond gejaagd op en haastte zich weg door een opening in de kloof.
“Verdomd. Niet nu al. We moeten opschieten,” zei Galendil, ernstiger klinkend dan ooit tevoren. “Pak je spullen bij elkaar. Nu!”
Luro fronste. “Dat zag er niet zo gevaarlijk uit. Die kunnen we hebben.”
Galendil gromde. “Dat, heet een nurl. En het was maar een verkenner. Het zal zich haasten naar zijn… kudde, en binnenkort zijn er misschien wel honderd die ons aanvallen. Ze zijn aanbidders van wat het Duisterwater heeft gecreëerd. Ze noemen het Ghalva. Ze wensen nog een donkere tsunami met duizend ogen die de wereld kan overspoelen. Het lijkt me onnodig om te zeggen dat ze ons niet leuk vinden als Ghalva’s belangrijkste doelwit. We vertrekken, nu!”
Luwen wist niet wat hij moest zeggen, en ook niemand. De speelse sfeer van daarvoor was volledig verdampt.
Dit was geen speeltijd. Dit was overleven.
Met een ernstige uitdrukking liep Galendil naar een ander pad dat de kloof verliet. Iedereen volgde rustig. Luwen probeerde tijdens het lopen op adem te komen. Wat als Galendil er niet was geweest…
Een hand greep zijn schouder.
“We zouden het ongedierte hebben gedood als het niet zo laf was.” Kran knikte naar hem.
Door het gebaar ontspande Luwen zich. Hij knikte terug. Ze lieten de kloof achter.
In een enkele rij liep Luwen achterin de groep. Het smalle pad slipte door de bergen totdat het uitkwam op een groene vlakte die mooier was dan Luwen ooit had gezien. Ze hadden de bergen achter zich gelaten.
“Geniet van deze laatste momenten van rust,” zei Galendil terwijl hij het veld opliep.
Twee uur later kwamen ze een menselijke koopman tegen, waar Luwen en iedereen zich omheen verzamelden. Na verschillende ongemakkelijke blikken en vragen aan elkaar over wat ze waren, kocht Galendil wapens van de gelikte koopman. Blijkbaar wilde Galendil oorspronkelijk een dag of twee later wapens kopen in een dorp. De ontmoeting met de verkenner had daar verandering in gebracht. Ze hadden nu wapens nodig.
De wapens waren niet van hout zoals die op de heuvels in Nederia. Ze waren van staal, iets wat Luwen nog nooit eerder had gezien. Meer en meer realiseerde hij zich dat hij eigenlijk nog nooit iets had gezien.
Galendil verdeelde de wapens volgens wat hij blijkbaar dacht dat bij hen paste. Hij bleef bij Luwen staan, gaf hem toen een langzwaard en keek hem recht in de ogen. “Gebruik dit, voor nu.”
Luwen hield zijn hoofd schuin, maar nam het wapen aan. Hoe moest hij anders vechten, als niet met een wapen?
De koopman reikte in het zadel van zijn paard, waarschijnlijk om andere snuisterijen te pakken. “Wacht even, mooie groep sterke krijgers. Ik heb nog nooit zulke spieren in mijn leven gezien! En jullie zien er allemaal zo elegant uit. Oh, ik wed dat er niemand prachtiger is dan jullie. Waar ik denk dat je misschien in geïnteresseerd bent, behalve wapens…”
“Nee,” zei Galendil en liep langs de koopman verder.
“Nee.” Luro volgde Galendil met een groot tweehandig zwaard op zijn rug.
“Nee,” zei Gwaire. Hij greep zijn boog en dolk en voegde zich bij Luro en Galendil. De hele groep bereidde zich voor om hen te volgen.
“Nee,” zei Eziel met een knuppel bij zich.
“Nee,” zei Tan die twee korte zwaarden droeg.
“Nee,” zei Deroan met een hellebaard in zijn hand.
“Nee,” zei Gren met een speer en een schild bij zich.
“Nee,” zei Kirn met een zwaard en een schild bij zich.
“Nee,” zei Kran, met een langzwaard bij zich dat iets langer was dan dat van Luwen.
“Nee,” zei Kevan met een boog en een dolk in de hand.
“Nee,” zei Desmond met een bijl in zijn hand.
“Nee,” zei Luwen als de laatste die de groep volgde. Hij negeerde de mens die met opgeheven handpalmen stond en verbijsterd leek.
Ze lieten de koopman achter zich en reisden naar het westen. Galendil hield een gestaag tempo aan en stopte alleen op bepaalde tijden om rond te kijken en waarschijnlijk om te zien of er tekenen van nurls waren.
Alleen Deroan had de moed, of de wanhoop, om te spreken. “Galendil, ik heb me altijd afgevraagd… Alle verhalen over rassen die in het oude Nederia en de rest van de wereld leven… Niemand noemt ons. Waar komen wij vandaan?”
Galendil stopte zijn pas niet. “Dat zul je zelf moeten ervaren voordat ik het je kan vertellen.” Hij klonk nog steeds chagrijnig en slaakte toen een lange zucht. “Het is jammer en druist in tegen alles waar Nederia voor stond, maar elk ras dat we tegenkomen kan onze vijand zijn. En… er zijn andere dingen die er zijn. Ergere dingen. Net als vechten boven het Duisterwater betekent elke misstap dood en het einde van onze missie.” Galendil zweeg even. “Of je keert terug naar Nederia met een oplossing, of je sterft.”
Luwen greep het gevest van zijn wapen stevig vast en keek naar de mannen die voor hem liepen. Hij zou zenuwachtig moeten zijn, maar dat was hij niet. Hij zou angst moeten voelen, maar dat deed hij niet. Hij grijnsde. Dezelfde zelfverzekerde grijns die hij vervelend vond op Galendils gezicht. We zijn een team. We zijn sterk. Laat ze alles tegen ons gooien. Alles. We zullen zegevieren.
De wolken waren donker aan de horizon en er was donder in de verte. De kudde nurls zou waarschijnlijk op hun spoor zijn. Luwen bleef grijnzen.
—

“Ongeveer zeshonderd jaar voordat de barrière doorbrak, vond de grootste gebeurtenis in de geschiedenis van de wereld plaats, waarmee ik mijn geboorte bedoel, hoewel de meeste personen er niet veel aandacht aan schenen te schenken. En ja, ik zie er best goed uit voor mijn duizend, driehonderdzevenentwintig, dank u, mannen. Honderdvijftig jaar na mijn geboorte begon het… De blauwe oceaan was niet meer zo helder als vroeger. Elke golf die arriveerde, werd donkerder. Na jaren was de oceaan zo zwart als een nacht zonder sterren. Niemand wist waarom.”
Hoofdstuk 4.
Hoge grassprieten streken langs Luwens middel. Hij grinnikte kort. Een dag geleden zou ik hard schrikken van het feit dat gras zo hoog kan groeien. Hij was zich er ondertussen van bewust dat hij een nieuweling was in de buitenwereld, en was niet meer zo snel verbaasd over elk klein ding. Af en toe prikte één van de vele lange bloemen in zijn zij. De bloemen bloeide in felle kleuren en lieten de glanzende weide eruit zien alsof er een regenboog over was uitgespreid. Luwen en de groep marcheerden naar het westen al sinds ze een dag geleden door de nurl-verkenner waren opgemerkt. Momenteel was er geen spoor van de nurls die hen achtervolgden, maar toch joeg Galendil hen voort alsof die hun op de hielen zaten. Luwen had geen idee hoeveel Galendil daadwerkelijk wist.
“Hoe ver lopen ze achter ons?” vroeg Luwen aan Galendil naast hem. Alleen Eziel en Kevan, de laatste met bulten op zijn gezicht en lichaam, liepen voor hen en baanden zich een weg door het dichte veld.
“Ik wou dat ze verder weg waren,” zei Galendil op zijn gebruikelijke humeurige toon. “Af en toe laat de wind me weten waar ze zijn. Ze lopen ongeveer drie uur achter, schat ik, maar ze gaan sneller dan wij en kennen dit gebied beter. Ze zullen ons uiteindelijk inhalen. We hebben echter één kans; nurls kunnen de Poort van Kur niet passeren. Als we er eerder zijn dan zij, kunnen we ze kwijtraken. We moeten dit tempo echter volhouden.”
Luwen gromde. Hij deed zijn mond open om te spreken. Een luide stem voor hem onderbrak hem.
“Galendil! Galendil!” Het was Eziel. Hij had zich naar achteren gekeerd en klonk in paniek.
Galendil slaakte een zucht. “Ja, Eziel?”
“Wat als deze witte bloemen giftig zijn voor wij die nog nooit eerder in dit gebied zijn geweest?!”
Nog een zucht van Galendil. “Dat zijn ze zeker. Giftig en dodelijk. Daarom loop jij voorop. Je bent overbodig.”
Luwen grinnikte, net als enkele andere mannen die de woordenwisseling hoorden.
Eziel hield zijn hoofd schuin. “Dat is een grap?”
“Een grap? Maar natuurlijk meen ik het, Eziel. Waarom zou ik geen onnodig risico nemen dat jullie allemaal zou kunnen doden?” Galendil trok kort zijn wenkbrauwen op en gromde.
“Bedankt dat je alle gifstoffen voor ons hebt opgevangen, Eziel!” riep Kran van achteren. “We zullen iedereen in Nederia informeren dat jouw offer ons heeft geholpen om een onschadelijk veld over te steken!”
Eziel gromde en leek beledigd. “Ik dacht dat het een terechte vraag was… We weten niet-“
“Zwijg allemaal!” riep Galendil. Hij stopte, hief zijn hoofd op en luisterde.
Iedereen werd stil, sommigen staken verward hun handpalmen op.
“Nee, nee, nee,” mompelde Galendil. Zijn ogen draaiden naar voren en bleven op een specifiek punt gericht. “Zeg alsjeblieft dat mijn ogen me verraden.”
Luwen draaide zich om naar waar de elf keek. Het land week daar af en er was een kleine grijze en rode bult die verder naar achteren breder werd. “Het is maar een heuvel. Eigenlijk het enige waar ik hier een band mee voel.”
Galendil hield zijn hoofd schuin. “Wat zei je daar… Nee… Het is geen heuvel, Luwen. Wat doet één van hen hier? Klote.”
Luwen fronste zijn wenkbrauwen, kneep zijn ogen tot spleetjes en concentreerde zich op de heuvel.
Een gerommel vanaf de grond, een geluid alsof Areos zelf van streek was.
De andere krijgers vloekten, niet wetend wat er aan de hand was.
Luwen hapte naar adem. “Wat is er gaande?” Zijn ogen waren nog steeds gefixeerd op de trillende heuvel.
Galendil gromde en keek om zich heen. “Iets waarvan ik zeker dacht dat we het zouden vermijden.”
Het gerommel dat van de heuvel kwam, hield aan en werd luider. Het klonk dreigend.
De heuvel stond op.
Luwens ogen werden groot. Onmogelijk. De voorkant van de heuvel kwam van de grond en Luwen kon het nu onderscheiden. Het was een hoofd. Een hoofd zo groot als Luwens hele lichaam en een enorm gezicht dat er hol en ingevallen uitzag. De zijkanten van de heuvel waren armen, die ook langzaam van de grond kwamen. Luwen deed een stap naar achteren met zijn mond wijd open. De grond beefde toen wat deze heuvel ook was verder ging met overeind staan. Hen plantte nu hun handen in de wei en duwde hunzelf omhoog.
“Hoe komt één van hun zo dichtbij en waarom wordt hen nu wakker?!” De benardheid in Galendils stem was duidelijk hoorbaar.
“Wat is hen?!” vroeg Deroan, net zo geschrokken als ze allemaal leken te zijn.
“Hen is een kolos,” zei Galendil. Zijn hoofd bewoog even opzij bij het noemen van de naam. “Dus dat gebeurt vreemd genoeg nog steeds… Ze herinneren me altijd aan een herinnering die net buiten bereik lijkt te zijn… Hoe dan ook, er zijn er niet veel meer over. Ik hoopte echt dat we er niet mee te maken zouden krijgen, maar hier zijn we dan. We zitten in de problemen.” Hij fronste zijn wenkbrauwen diep, alsof hij aan een oplossing dacht.
Luwens hart bonsde hevig terwijl hij vol ontzag staarde naar de kolos die hun volledige grootte begon te tonen. Hen stond nu op hun knieën waardoor hun torso zichtbaar werd, die de grootte van een huis had, en hun armen waren nog langer. Hun huid was grijs met donkerrode vlekken over hun hele lichaam. Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes. Het is niet hun huid die grijs is. Dat is hun vlees en botten! Hij trok zijn hoofd naar achteren, walgend. De donkerrode vlekken waren de enige stukjes huid die nog over waren, de rest was alsof de kolos uitgehongerd of zelfs verrot was. Iets deed pijn aan Luwens neus. De zure geur van de kolos had hem bereikt terwijl het om hen heen dreef.
“Kunnen we hen niet gewoon voorbij rennen?!” vroeg Luro. Hij was de sterkste van hen, maar zou zo’n gevecht zeker willen vermijden.
Hoe kunnen we zoiets zelfs bestrijden? vroeg Luwen zich af.
Galendil gromde. Zijn ogen waren nog steeds gefixeerd op de kolos. Hij leek ergens op te wachten.
De kolos had hunzelf volledig opgericht. Luwen greep het gevest van zijn zwaard stevig vast. De kolos torende boven hen uit alsof ze een konijn voor hen waren. De kolos was op z’n minst vijftien meter hoog, en blokkeerde de zon en wierp een schaduw over hun. Hen deed hun mond open.
Er kwam een gehuil uit de kolos. Een geluid dat Luwens rug deed rillen. De lange, treurige kreet deed het gras naar hen toe golven.
Galendil gromde. “Daar was ik bang voor. Het heeft geen zin om weg te rennen. Dat gehuil… Hen lijkt boos te zijn geworden door onze aanwezigheid… We hebben geen keus. We moeten dit wezen uitschakelen of hen doden. Wat jammer dat onze eerste test zo moeilijk is. Bereid je voor.”
Luwen haalde zijn wapen uit de schede, en dat deed iedereen. Als ze moesten vechten, waren ze er klaar voor.
“We gaan er dicht naar toe,” instrueerde Galendil kalm maar vastberaden. “Maar de kolos heeft een groot bereik. Laat je niet wegvegen. Werk samen, dwazen.”
De kolos slenterde naar hen toe. Hen was traag, maar bij elke stap trilde de grond. Ondanks het gevaar voelde Luwen geen angst. Hij vertrouwde op zijn medestrijders.
Luro knikte. “Ik kan de aanval leiden.”
“Mooi zo.” Galendil hield zijn ogen op de kolos gericht. “Gwaire en Kevan, vuur vanaf de zijkant pijlen op hen af. Het zal hen geen kwaad doen, niet echt, maar het kan hen afleiden. Deroan, neem Kirn, Gren en Luwen en maak een verdedigende positie zodat de rest vrij is om zich op de aanval te concentreren. Luro, jij valt aan met Eziel, Tan, Desmond en Kran. Oké, blijf verdomme gefocust en ga!”
Alle elf stormden ze naar voren en haastten zich door het hoge gras naar hun doel. Luwen fronste zijn wenkbrauwen. Met zijn langzwaard zou het voor hem logischer zijn om samen met Luro aan te vallen, maar Galendil zou zo zijn redenen hebben. Bovendien, het was nu geen tijd om een discussie te voeren. De kolos kwam op hen af en zou hen spoedig binnen hun bereik hebben. Galendil volgde van een kleine afstand achter hem. Luwens adem versnelde.
De kolos stopte, slaakte een kreet en zwaaide hun belachelijk lange arm van minstens negen meter naar achteren. Hen liet het naar voren vliegen en over de grond razen in de richting van Luro’s groep.
“Bukken!” riep Luro over het veld.
De vijf aanvallers doken het gras in. De hand vloog vlak over hen heen. Maar het liet hen ongedeerd.
“Naar voren!” Luro sprong omhoog en rende naar de voeten van de kolos.
Gwaire was naar de linkerkant van de kolos gegaan en Kevan naar rechts. Ze legden een pijl op hun boog en schoten die naar de borst van de kolos. De pijlen waren zo goed als perfect gericht en vlogen door de lucht.
Ze stuiterden tegen de kolos en vielen naar beneden.
“Shit,” mompelde Deroan. “Kirn en Gren, met jullie schilden kunnen we misschien een zwaai afweren of op zijn minst vertragen. Leg je andere wapens neer. Ik kan hen met mijn hellebaard steken en hopelijk wat schade toebrengen. Luwen… help waar het nodig is.”
Luwen knikte. Hij begrijpt net als ik niet waarom ik in deze groep zit.
Luro’s groep was in tweeën gesplitst en begon aan de voeten van de kolos te hakken. Luwen hield zijn adem in. Als we hen naar de grond kunnen brengen, kunnen ze ons misschien niet volgen.
De wapens sneden door de rode huid heen, maar leken niet diep in het vlees van de kolos te snijden. “Klote,” zei Luwen.
De kolos tilde hun enorme voet op en wiebelde ermee van links naar rechts. Luro en Tan werden in de lucht getrapt en vielen meters verderop naar beneden. De enorme voet bewoog naar boven de twee krijgers terwijl de kolos hen voorbereidde om ze te verpletteren. Nee! Ga weg daar! Luwen wilde naar hen toe rennen, maar ze waren te ver weg voor hem.
Tan stond op voordat Luro dat deed. Hij sprong op Luro af, greep hem beet en rolde snel aan de kant. De voet viel vlak naast hen neer.
“Het vlees is te dik! Als we hen niet kunnen schaden, gaan we nergens heen!” zei Deroan ontevreden.
Luwen begreep Deroans zorgen helemaal. Als we hier te veel tijd verspillen, zullen de nurls op ons afkomen en is onze hele missie en de redding van Nederia misschien voorbij. En dat is zelfs als het ons sowieso lukt om voorbij dit monster te komen.
De kolos brulde weer en zwaaide hun arm naar achteren, klaar om aan te vallen, nu tegen de groep van Luwen.
“Zet je schilden klaar! Luwen, versterk ze!” Deroan maakte zijn hellebaard klaar.
Luwen rende naar Kirn en Gren en duwde met hen terwijl ze hun schilden diagonaal vasthielden om de hand van de kolos te deflecteren.
De slag van de kolos kwam, deze keer lager dan de vorige en door het gras. Luwens hart klopte toen hij al zijn kracht gebruikte om zich voor te bereiden op de inslag.
De hand botste tegen hun schilden. Het brak hun verdediging en gooide ze achterover. Luwen viel op de grond. Hij stond zo snel als hij kon op om te zien of de anderen gewond waren.
Iedereen was in orde. Hoewel ze de aanval niet hadden gestopt, had het hen geen schade toegebracht.
De boogschutters maakten nog een schot gereed en stuurden twee pijlen in de lucht. Deze waren gericht op het hoofd van de kolos. Gwaire miste. Kevan niet. De stalen pijlpunt doorboorde de wang van de kolos. De kolos schreeuwde zacht en verwijderde de pijl met hun handen. Hen leek geen pijn te hebben, hoewel hen wel geïrriteerd leek.
“Dat is het!” riep Deroan uit. Hij wendde zich tot aanvallers. “Luro, ga voor zijn hoofd! Dat is zijn zwakte!”
Luro stak zijn handen in de lucht vol ongeloof. “Leuk idee joh. Heb je gezien hoe lang deze zak is? Stel je nou voor dat ik mijn zwaard ernaar gooi?!”
“Nee, idioot! Gebruik je wapens om erop te klimmen!”
Luro hield zijn hoofd schuin. “Dat klinkt als een onredelijk en gevaarlijk plan. Doen we meteen. Jongens, laten we gaan!” Hij en de anderen probeerden de kolos vanaf de voeten omhoog te beklimmen. Ze staken hun wapens in het vlees van de kolos en klommen naar boven.
De kolos brulde opnieuw en lanceerde een nieuwe aanval op de groep van Luwen. Galendil had hun eindelijk ingehaald en gloeide oranje. Luwen voelde zich sterker. De hand botste opnieuw tegen hun verdediging en deze keer brak het ze niet uit elkaar. Deroan kon zelfs een kleine aanval verrichten op de hand. Die richtte helaas weinig schade aan.
Kirn fronste zijn wenkbrauwen. “Voelden jullie dat ook?”
“Ja,” zei Gern. “Ik voelde me versterkt.”
“Kijk,” zei Galendil nuchter, “zo nutteloos ben ik niet.”
De groep van Luro bleef klimmen. Snel werden ze door de kolos afgeschud of afgesmeten. De hele routine ging verschillende keren opnieuw, met Deroan die een nieuwe verdediging instrueerde, Luro die de kolos beklom met de aanvallers, en de boogschutters die probeerden schade aan te richten van een afstand. De kolos bleef huilen en viel hen aan, zonder veel succes. Luwen voelde zich fit om dit nog lang voort te zetten. Maar dat is niet wat we nodig hebben. We verliezen tijd en komen nergens.
“Hen is een extreem taaie tegenstander,” zei Deroan fronsend. “Maar hen maakt het ons gemakkelijker door elke aanval met een gehuil aan te kondigen.”
Galendil bewoog zijn lippen opzij. “Weet je, normaal doen ze dat nooit. Iets is er anders.”
Luwen staarde naar de kolos. Hen had iets droevigs. Hun gezichtsuitdrukking kwam niet overeen met de woede die hen toonde. Hoewel hen hun vijand was, had Luwen er op de een of andere manier ook medelijden mee.
“Maar,” vervolgde Galendil, “we kunnen dit niet lang volhouden. De kolos wordt… door iets gevoed. Als wij, of zelfs alleen ik, geen energie meer hebben, is het klaar. Maar wat kunnen we nu veranderen?”
Luwen gromde. “Dat is heel inspirerend.”
Galendil trok zijn wenkbrauwen op. “De realiteit is wat het is, Luwen. Ik denk dat je moeder ook zal sterven. Je hebt haar niet kunnen redden.”
Met open mond wendde Luwen zich tot Galendil. “Wat?! Nee!”
“Ik ben bang van wel.” Galendil haalde zijn schouders op. “En Nederia zal vergaan. We zijn nu al klaar. Wat jammer. Och ja…”
Luwen gromde. Hij wist wat Galendil deed, maar toch voelde hij dat hij boos werd. Hij snoof herhaaldelijk hard z’n neus. “Nee! Dat laat ik verdomme niet gebeuren!”
Galendil grijnsde, zijn irritante karakteristieke grijns, en staarde hem recht in de ogen. “Voed de warmte die binnen zit.”
Luwen balde zijn vuisten. Zijn borstkas ging snel op en neer. Iets in hem zwol op. Alsof er het kleine lichtje van een kaars was, en dat laaide op en zette zijn hele lichaam in vuur en vlam. Vlammen schoten door zijn aderen. Hij keek met grote ogen naar zijn handen.
Ze gloeiden fel oranje. Hij grijnsde breed. Ook ik kan het.
“Zeg tegen Luro en de aanvallers dat ze weg moeten gaan,” zei hij met gezaghebbende stem.
Deroan hield zijn hoofd schuin. “Maar we moeten aanvallen!” Toen draaide hij zich om en zag waarschijnlijk de oranje gloed van Luwen. “Wat in het Duisterwater…” Deroan deed wat hem was opgedragen. Al snel was het gebied rond de kolos leeg.
Luwen slaakte een diepe zucht. Instinct vertelde hem wat hij vervolgens moest doen. Hij wees met zijn handen naar de grond waar de kolos stond en concentreerde zich volop.
Hij liet zijn kracht los.
Er kwamen geen vlammen uit z’n handen. In plaats daarvan golfde een constante oranje stroom door de lucht en schoot onder de kolos de grond in.
Luwen grijnsde, vol van waanzin. Hij had deze kracht nog nooit eerder gevoeld. Hij wist wat hij kon doen.
Hij hief zijn handen omhoog.
Er kwam een gerommel uit de grond. Een andere dan toen de kolos opstond, deze was dieper. Eerst was het alleen geluid.
Hij hief zijn handen verder op.
Het gebeurde. Areos zelf begon te beven.
Hij veroorzaakte een aardbeving waar de kolos stond. De kolos probeerde hun houvast te vinden door over de grond te stappen, maar het verschoof onder hen. Hun gewicht deed de grond barsten. Luwen voelde het.
De kolos verloor hun evenwicht en viel op hun handen en knieën. Luwen grijnsde. Eindelijk.
“Luro, nu!” schreeuwde Galendil.
Luwen stopte. Hij liet de oranje magie los en viel achterover. Kirn ving hem op en zette hem voorzichtig op de grond.
Naast Luwen stond Deroan met open mond, verbijsterd. “Verrek de schijt. Je kan dat doen. Hoe in Areos dan…”
Luwen wilde antwoorden, maar was uitgeput. Hij had zelfs moeite om bij bewustzijn te blijven en het gevecht door te zien gaan.
Eziel, Desmond en Kran begonnen de arm van de gevallen kolos te beklimmen. Hoewel de kolos gehurkt zat, was hen verre van verslagen en zou hen snel opstaan. Tot Luwens ontsteltenis leek het erop dat de klimmers te langzaam zouden zijn.
“Verdomme dit ding naar de duisternis!” schreeuwde Luro met een vreemde woordkeuze. “Tan, je bent licht, kom hier!”
Met opgeheven handpalm rende Tan naar Luro.
Luro greep Tan bij zijn benen, waardoor Tans verwarring zichtbaar toenam. “Je hebt twee verdomde zwaarden. Gebruik ze!” Luro brulde. Hij tilde Tan in de lucht, draaide rond en gooide Tan in de lucht naar het hoofd van de kolos.
Luwens mond viel open. Iedereen wist dat Luro sterk was, maar dit was van een heel nieuw niveau. Hoe heeft hij…?
Tan landde perfect op het hoofd van de kolos. Hij greep zijn twee zwaarden en boorde ze toen door het hoofd van de kolos.
De messen doorboorden de schedel.
De kolos slaakte een kreet. Hen schudt hun hele lichaam wild, waardoor alle krijgers die op hen waren geklommen, inclusief Tan, eraf vielen.
De zwaarden zaten nog steeds vast in het hoofd van de kolos en nu bewoog de kolos willekeurig. Voorheen was het alleen mogelijk om hun aanvallen te voorspellen vanwege het gehuil en een patroon. Nu hen willekeurig bewoog, leek hen nog gevaarlijker.
Iedereen ging uit de weg en liet de kolos tekeer gaan.
Hen viel nog steeds niet naar beneden. Het bleef hen aanvallen. Luwen gromde. Hij was te zwak om te bewegen. Hoe geweldig hij het ook vond om magie te gebruiken, het had ook al zijn energie uitgeput.
De kolos zwaaide met hun arm en deze keer raakte een van hen volledig. Deroan werd met de hand geraakt en tientallen meters verderop in de lucht geslingerd.
Luwen hapte naar adem.
“NEE!” riep Gren uit. “Hou je handen van hem af!”
Luwen had geen idee waar de woede van Gren vandaan kwam, maar de nu rode krijger brulde en stormde met hernieuwde kracht op de kolos af. En er was nog iets… Luwen wist niet of zijn zicht wazig was van de uitputting, maar er leek een oranje gloed rond Grens benen te hangen.
Gren sprong op de kolos af.
Geen simpele sprong, maar een krankzinnige sprong. Hij sprong zo hoog dat hij onmiddellijk het middel van de kolos bereikte. Van daaruit sprong hij weer en had het hoofd van de kolos al bereikt. Gern brulde weer en stond klaar om toe te slaan. Er was maar één probleem.
“Je hebt een verdomd wapen nodig, idioot!” schreeuwde Eziel.
Grens speer lag nog steeds naast Luwen.
Dit was gevaarlijk. Als Gren ver van deze hoogte zou vallen, zou zelfs hun sterke lichaam verwonding niet kunnen voorkomen. Luwen gromde.
“Geef me er dan één!” schreeuwde Gren van bovenaf.
Eziel hief zijn handpalmen op, duidelijk niet wetend wat hij moest doen.
Deroan stond omhoog, licht gewond maar ogenschijnlijk in orde. “Die idioot…” De woorden waren bijna te zacht voor Luwen om te horen.
Kirn raapte Grens speer op, die nog steeds op de grond lag. “Vangen!”
In de verte knikte Gren.
Kirn bereidde zijn worp voor. Hij wierp de speer met verbazingwekkende snelheid naar boven. De worp had genoeg vaart, maar miste het juiste doel en vloog boven Gren.
Gren brulde weer en sprong. Hij slaagde erin de speer in de lucht te grijpen. Luwen keek toe zonder met de ogen te knipperen. Onnatuurlijk… maar verbazingwekkend. Hoe kan hij nu goed landen?
In de lucht draaide Gren de speer zodat de punt naar beneden was, toen viel hij door de lucht en daalde neer op de kolos. Luwen zou zweren dat oranje deeltjes achter Gren aanzaten.
Gren boorde de speer diep in de schedel van de kolos.
De ogen van de kolos stopten onmiddellijk met bewegen en werden wit. Hun hele lichaam stopte met bewegen. Het lichaam van de kolos leunde naar voren en viel op de grond. Het kwam neer met een luide klap die zand in de lucht wierp.
De kolos was dood.
Overal op het slagveld klonk gejuich, aan beide kanten van het enorme lijk. Luwen probeerde zich bij hen aan te sluiten, maar zijn lichaam was te zwak. Hij zat op platgestreken gras met zijn lichaam voorovergebogen.
Een hand greep zijn schouder vast. Het was van Galendil. “Ik had gelijk om jou mee te nemen.” De elf grijnsde, duidelijk tevreden met zichzelf, keek toen even de andere kant op en bewoog zijn lippen opzij, wat minder vrolijk leek. “Laten we iedereen verzamelen zodat we verder kunnen gaan.” Hij hielp Luwen overeind en liet iedereen even genieten voordat hij zei dat ze verder moesten gaan.
Deroan had de meeste verwondingen, maar zelfs hij kon nog alleen lopen. Toch kreeg hij steun van Gren, één van de helden van vandaag. Hoe heeft hij de kolos zo gemakkelijk beklommen? vroeg Luwen zich af. Met een dunne glimlach keek hij toe hoe Deroan en Gren elkaar hadden vastgepakt en hartelijk naar elkaar glimlachten. Luwen hield zijn hoofd schuin. Nooit geweten dat ze zulke goede vrienden waren.
Ze lieten het enorme, stinkende lijk achter en doorkruisten het weiland verder.
“Luwen!” Kevan riep hem. “Hoe heb je dat in Areos voor elkaar gekregen?”
Luwen krabde op zijn achterhoofd. “Ik weet het eigenlijk niet. Het is een soort instinct.”
“Wat kun jij ons daarover vertellen?” vroeg Kevan aan Galendil, waarschijnlijk in de veronderstelling dat de elf hun meer kon vertellen.
Galendil zuchtte. “Allereerst de magie in Luwen… het heeft iets te maken met de dag van de Grote Overstroming, denk ik. Ik weet niet precies wat het betekent dat zijn lichaam geen probleem heeft met het Donkerwater.” Zijn lip trilde, alsof het feit hem zowel zorgen baarde als goed deed. “Ten tweede, als je alleen de magie van Luwen hebt opgemerkt, dan heb je niet goed opgelet. Jullie kracht en snelheid zijn slechts een klein deel van wat je voorouders je nalieten. Dat heb ik jullie allemaal al verteld, maar jullie luisterden niet.”
Luro versnelde zijn pas en begon naast hen te lopen. “Betekent dat dat we allemaal magie kunnen gebruiken?”
Galendil zuchtte. “Je moet het eerst zelf uitzoeken. Ik kan niets forceren en dat is voor iedereen anders.”
Ze stelden meer vragen, maar bleven onbeantwoord. In plaats daarvan bespraken ze zelf wat het betekende. Ze wilden allemaal magie gebruiken en kwamen naar Luwen om erachter te komen hoe hij dat had gedaan. Hij probeerde het uit te leggen, maar had geen duidelijke instructies over, hoewel hij er vrij zeker van was dat hij de handeling enigszins kon herhalen.
Hun dagdromen werd onderbroken door Galendil. “Dat is genoeg voor nu. We hebben veel tijd verloren met de kolos.” Galendils hoofd schokte even opzij. “Het lijkt nu onvermijdelijk dat die bende nurls ons zal inhalen voordat we de Poort van Kur bereiken. Spaar je energie en herstel je uithoudingsvermogen zo goed als je kan.”
Luwen slikte. Dit was al een gevaarlijke vijand geweest die hun allemaal had kunnen doden, en zelfs bijna één van hen had gedood. Wat is er nog meer? vroeg Luwen zich af toen hij weer een vreemde warmte in zich voelde. Ze marcheerden verder en in de verte zagen ze een heuvelachtig gebied. Groene heuvels deze keer.
—

“Als eerste werd de zwarte oceaan een lust voor het oog voor reizigers om te bewonderen, aangezien dit niet gebeurde in buurlanden en alleen Nederia dit eigenaardige voorval had. Al snel bleek echter dat het water giftig was. Zwemmers keerden ziek of misvormd terug. De mate van vervorming nam met toe het verstrijken van de tijd, alsof het water sterker werd. Onderzoekers durfden nog steeds het water in te gaan, op zoek naar een verklaring voor het donkere water, waarom het alleen aan de kust van Nederia te vinden was, en wat er tegen te doen was. Toen stierven sommigen van hen. Het water had zich volledig tegen ons gekeerd. Het werd bekend als Duisterwater. Dit was vóór De Nacht van Nood, toen we ons hele land nog hadden.
Hoofdstuk 5.
“De valse wezens moeten de kolos hebben gepasseerd.” Galendil snoof en trok zijn neus op. “Hun stank is sterker geworden dan het lijk dat we hebben achtergelaten.”
Luwen klemde zijn kaken op elkaar. We zijn daar pas een uur geleden vertrokken. De nurls zijn te dichtbij. We kunnen de Poort van Kur niet bereiken voordat ze ons inhalen. Ze moesten het echter proberen, vond hij. Misschien zou een ongeluk de nurls overkomen, of Galendil zou een kortere weg, magie of wat dan ook vinden om hen te helpen versnellen.
Wolken verhulden de zon, maar zonnestralen slaagden er toch in om de weide te verlichten die eindelijk eindigde. Met z’n twaalven doorkruisten ze samen het laatste hoge gras en een paar honderd meter voor hen doemde een reeks groene heuvels op. Luwen kon alleen de voorkant van deze gewone heuvels zien. Hij hield zijn hoofd schuin. Zijn dit wel gewone heuvels? Het was niet alsof de heuvels bewogen, of dat er iets bovenop lag. Toch prikkelde een afwijking die hij niet kon verklaren zijn verstand.
“Wat is er met deze heuvels?” Kevan, degene die het meest verbonden was met de natuur, had een diepe frons op zijn gezicht. “Er is iets waar ik mijn vinger niet op kan leggen.”
“Het is raar om ze te zien, hè?” Galendil grinnikte.
Luwen bleef naar de heuvels staren. Wat is er met hen? Het is gewoon een stelletje heuvels, niet hoog en niet klein. Geen van hen ziet er vreemd uit.
“Wacht,” zei Kevan, snel knipperend. “Dit kan niet natuurlijk zijn. De kans dat dit gebeurt moet nul zijn.”
Galendil lachte. Hij leek vandaag in een goede bui te zijn. Toch zei of legde hij niets uit.
Eziel hief zijn handpalmen op. “Nou wat is het dan?! Dit is vreselijk irritant! Ik zie niets raars aan ze.”
Dit keer grinnikte Kevan. “Ze zijn allemaal precies even hoog.”
Eziel fronste zijn wenkbrauwen. “Oké….”
“Kevan heeft gelijk,” zei Galendil, die eindelijk bereid leek te zijn om te praten. “Deze plek bestaat uit honderden van deze even hoge heuvels en wordt de Tuin van Menethor genoemd. Hij was een extreem rijke koning die dertienhonderd jaar geleden leefde en… deze plek heeft aangepast. Hij vond dat iedereen gelijk was en wilde dit uitstralen in zijn tuin.”
Kevan bewoog zijn lippen opzij. “Om de natuur op deze manier te gebruiken …” Zijn reactie maakte niet duidelijk of hij het concept goedkeurde of niet.
“Oké, dus deze man vergeleek zijn mensen met heuvels?” Eziel hield zijn hoofd schuin, alsof hij het hele idee bespotte.
Gwaire schudde zijn hoofd en fronste zijn wenkbrauwen. “Dat is niet… Je snapt het niet. Het is een symbolisering, idioot.”
Eziel trok zijn wenkbrauwen op en haalde zijn schouders op. “Ik weet dat ik niet graag met een heuvel vergeleken zou willen worden.”
Galendil grinnikte, wat raar klonk omdat hij gewoonlijk zuchtte bij alles wat Eziel zei. “Dit kostte tientallen jaren en duizenden arbeiders om te voltooien. Reizigers van over de hele wereld komen hier nog steeds om deze plek te bewonderen. Voor sommigen is het fascinerend en verbazingwekkend. Voor anderen is het … nou ja, teleurstellend.” Galendil trok kort zijn wenkbrauwen op. “Op een gegeven moment waren alle heuvels werkelijk precies even hoog. Menethor liet geleerden elke heuvel opmeten. Na verloop van tijd kunnen er minuscule verschillen ontstaan. Zo werkt de magie van Areos.”
Luwen en iedereen knikte begrijpend.
Deroan streek over zijn kin. “Dus deze Menethor was buitengewoon rijk en dacht toch dat iedereen gelijk was?”
“Begin nou niet, Deroan,” zei Galendil alsof hij snauwde. “Er zijn talloze boeken, studies en filosofieën geschreven over deze plek en Menethor. Ik zal de kwestie graag met je bespreken nadat Nederia is gered. Laten we eerst hier weggaan. We hebben een wonder nodig om de nurls te vermijden.”
Deroan knikte en keek toen naar beneden. Duidelijk bleef hij nog nadenken over het onderwerp.
“Galendil,” begon Luro, “die nurl-verkenner gisteren zag er niet heel gevaarlijk uit. Zijn we niet sterker dan hun?”
Galendil knikte. “Onderschat hun klauwen niet, maar ja, we zijn sterker. Maar ze zijn met zoveel meer dat dat verschil teniet wordt gedaan.”
“Daarover gesproken,” zei Deroan, blijkbaar had hij Menethor even losgelaten. Galendil wendde zich tot Deroan. Blijkbaar vond hij het de moeite waard om naar hem te luisteren. Deroan vervolgde. “Je zei dat we een wonder nodig hebben om de nurls te vermijden.”
“Dat klopt, dat deed ik. Afhankelijk van hun snelheid zullen ze ons zeker inhalen voor de Poort van Kur.”
Deroan streek over zijn kin en knikte toen herhaaldelijk. “Laten we niet wachten op een wonder.”
Galendil trok een wenkbrauw op. “Wablief?”
“Ik heb een idee,” zei Deroan.
Het rotsblok schuurde tegen Luwens rug terwijl hij naar rechts leunde om naar het pad beneden te kijken, naar het smalle pad van vast zand dat door de heuvels liep. Gehurkt kon hij verborgen blijven terwijl hij kon zien of er nurls naderden.
Die waren er geen.
Hij richtte zijn blik naar boven. Een paar meter boven hem, nu aan de andere kant van de heuvel voor hem verborgen, bevonden zich de rest van de krijgers en Galendil. Ze wachtten allemaal zwijgend tot de nurls dichterbij kwamen, zodat ze hen konden aanvallen.
Luwen was de enige die alleen zat, al zag hij daar de logica van in. Deroan en Galendil hadden deze plek gekozen omdat het goed verborgen was voor het pad en omdat er veel rotsblokken op de heuvels lagen, wat cruciaal was voor hun plan. Het zou allemaal afhangen van Luwen’s gebruik van magie.
Ik zal een nieuwe aardbeving creëren. Hij grijnsde. Wat een onwerkelijke gedachte. Toch voelde hij dat hij het opnieuw kon doen. Ze hadden besproken wanneer hij er één moest maken en waar. Als hij een aardbeving zou veroorzaken op de plek waar de nurls stonden, zouden ze gewoon hun evenwicht verliezen en daarna weer opstaan. Als hij het midden in de strijd zou doen, zou dat de Nederianen evenveel problemen bezorgen als de nurls. Ze hadden voor een andere manier gekozen. Luwen zou een aardbeving veroorzaken op de heuvel met de meeste rotsblokken.
Ze hadden er van tevoren een paar losgemaakt en de aardbeving zou de rest doen, in theorie. De rotsblokken zouden in het midden van de nurls vallen, hun strijdmacht verpletteren en in tweeën splitsen. Dan zou Nederia aanvallen vanaf boven. Ze zouden tijd hebben om tegen de kopgroep te vechten zonder zwaar in de minderheid te zijn. De nurls zouden nog steeds met meer zijn, maar Galendil stelde dat elke krijger van Nederia een paar nurls kon verslaan.
Het was een goed plan, vond Luwen. De grote variabele in hun plan was datgene waar ze jarenlang niks van wisten: magie. Ze hadden tekenen van magie tegen de kolos getoond, maar hoeveel konden ze die nu gebruiken?
We gaan het zien. Luwen haalde diep adem en staarde weer naar rechts naar de rand van de heuvel. Daar zag hij het hoofd van Kirn dat boven de heuvel uitstak en hem recht in de ogen staarde. Ze wisselden een blik uit. Kirn knikte diep naar hem. Luwen drukte z’n lippen op elkaar en knikte terug.
Dat was het teken. Ze naderen.
Luwen haalde een paar keer diep adem en ontspanden zijn handen. Ik kan dit. Hij hurkte nog lager, duwde een paar grassprieten opzij en staarde er doorheen naar het pad.
Een horde nurls naderde.
Luwen weerstond het om naar adem te snakken. De vijand leek sterker dan verwacht. Honderd van hun leek een kleine schatting. De eerdere verkenner zag er al vals uit, met zijn donkerrode huid en scherpe botachtige klauwen, maar nu werd duidelijk dat de verkenners de kleinste waren. Het grootste deel van de horde bestond uit nurls die iets groter waren dan de verkenners, maar veel gespierder. Dat zijn waarschijnlijk de soldaten, dacht Luwen.
Er waren ook enkele bijzondere figuren. Er waren vier enorme nurls, van ongeveer vier meter hoog, die een enorme witte knuppel in hun botachtige handen droegen. Vooraan liepen twee nurls van gemiddelde grootte, één van hen met een halsketting van botten om zijn nek en runen getatoeëerd op zijn lichaam. Naast hem liep een grotere nurl die er vrouwelijk uitzag. Ze droeg een metalen helm en droeg een lange schede waar een zwaard met juwelen uitstak. Dat moet hun leider zijn.
Shit. Shit. Shit. Luwen leunde naar achteren tegen het rotsblok. Zijn adem versnelde. Hij moest wachten tot een deel van de groep nurls de stapel rotsblokken op de heuvel gepasseerd was. Met zijn ogen dicht concentreerde hij zich op het vuur in hem. Eerder zwol het op zonder dat hij er controle over had. Nu liet hij het langzaam door zich stromen en controleerde het zoals een beek dat doet met water. Hij ademde zwaar. De beek veranderde in een rivier. Het water wilde eruit. Nog niet. Hij bleef zich concentreren op de zwellende kracht en probeerde die onder controle te houden.
“Luwen!” een luid gefluister vanaf de linkerkant van de heuvel, waarschijnlijk Deroan maar Luwen kon het niet goed horen. “Nu!”
Luwen opende z’n ogen. Hij stond op, draaide zich om naar de rotsblokken aan zijn rechterkant en klemde zijn tanden op elkaar, waarbij hij bijna de controle verloor. Hij richtte zijn handen op de rotsblokken en liet zijn kracht los.
Oranje magie vloog naar de grond onder de rotsblokken.
Een gerommel van onder de grond.
In zijn ooghoek zag Luwen dat de groep nurls stopte met marcheren en dat hun ogen snel over de heuvels dwaalden, op zoek naar vijanden.
Luwen hief zijn beide handen op
Areos begon te beven. Luwen grijnsde. Het werkt weer.
De bevingen waren groter dan voorheen en zelfs merkbaar waar hij stond, maar de rotsblokken vielen niet. Luwen hief zijn handen verder op.
De trillingen namen toe. De grond van een groter gebied trilde en de rotsblokken trilden zichtbaar van de grond.
Ze kwamen los.
De rotsblokken maakten een bijna grommend geluid en vielen naar beneden. Ze rolden naar het midden van de horde nurls. Luwen hield zijn adem in. Raak alsjeblieft.
Een voltreffer.
De rotsblokken botsten tegen de gelederen van de nurls. Eén van de grote nurls probeerde een rotsblok te blokkeren, maar deze werd verbrijzeld en op de grond gedrukt. Een tiental soldaten werd neergeslagen. Een stofwolk schoot de lucht in, wat voor verwarring zorgde en de strijdmacht zelfs beter dan verwacht in tweeën splitste. Er klonken paniekerige kreten van de nurls. Luwen glimlachte. De aanval was een succes.
“Nederia! Val aan!” Galendil brulde van boven.
Luwens medestrijders stonden op en lieten zich vanaf de heuvels zien. Ze hieven hun wapens en riepen een strijdkreet. Een prachtig geluid, vond Luwen.
Met enorme snelheid stormden ze naar beneden. Luwen voelde zich lang niet zo uitgeput als de eerste keer dat hij magie gebruikte, en sloot zich bij hen aan, hief zijn langzwaard in de lucht en voegde zich bij de strijdkreet. De nurls beneden hun verspreidden zich. Ze probeerden enkele van de gevallen rotsen weg te duwen, terwijl anderen haastig een zwak ogende verdedigingslinie vormden onder het bevel van hun leider. Twee dappere nurls begonnen zelfs de heuvel op te klimmen, naar hen toe sprintend terwijl ze venijnig schreeuwden.
De eerste werd opgewacht door Desmonds bijl en in tweeën gekliefd.
De tweede ging voor Eziel, die zijn strijdknots omhoog slingerde. Hij sloeg de nurl op zijn kin en liet hem terugvliegen naar de groep nurls die rondrenden.
Luwen had zijn ogen gericht op een nurl die zijn scherpe klauwen omhoogstak en op hem afsprong.
Ze stortten neer op de verdedigingslinie.
Luwen zwaaide zijn zwaard diagonaal, precies op de klauwen van de nurl die hem aanviel. Een gekletter van wapens om hem heen. Zijn zwaard greep de klauwen en gooide de nurl naar achteren. Andere nurls werden door de impact naar links en rechts geslingerd. Luwens lippen krulden omhoog terwijl hij doorging met hakken, in de hoop vlees te vinden. Toen stopte hij met glimlachen.
Hoewel hun hinderlaag succesvol was, bleven de nurls opstaan en op hen af komen. Misschien waren er een paar gestorven, maar de anderen hadden zich al weer bij de strijd gevoegd. Luwens ogen werden hol. Er zouden veel meer slachtoffers moeten zijn gevallen. Ze zijn taai.
De strijd woedde voort. Wapens en klauwen botsten. Af en toe slaakte een nurl een kreet van angst uit, waarschijnlijk stervende, maar aan de andere kant waren er ook wonden. Luwen merkte op dat er bloed uit Krans schouder druppelde en Luro werd achterover gegooid door de knuppel van een grote nurl. Dat was alles wat Luwen kon zien. Hij had het te druk met vechten, inkomende aanvallen blokkeren en een opening bij z’n vijand proberen te vinden.
Hij begon te zweten. Hij fronste. Hoewel het een intense strijd was, werd hij niet moe. Waarom zweette hij? Toen merkte hij dat de temperatuur dramatisch was gestegen. Hij draaide zich naar rechts.
De nurl met een halsketting van botten, van wie Luwen nu concludeerde dat het een sjamaan moest zijn, had zijn armen geheven en zijn handen naar elkaar gericht. Tussen hen in toverde hij een bal van zwart vuur. Luwens ogen werden groot. Wat in Areos is dat?!
De sjamaan gooide zijn arm naar achteren en slingerde de vuurbal naar voren in de richting van Desmond.
Kirn sprong snel voor Desmond uit en hief zijn schild op. De vuurbal raakte het schild en ontplofte. Kirn, Desmond en Tan werden door de explosie achteruit geslingerd. Luwen hapte naar adem. Hij probeerde te helpen, maar twee nurls vielen hem aan en hij moest verdedigen als hij wilde leven.
Luro en Eziel slaagden erin de cirkel van het gevecht te verkleinen en gingen voor de gevallen krijgers staan om hen te beschermen. Hoewel dit succesvol was, betekende dit dat ze nauwelijks meer konden aanvallen. Meestal ontweken ze aanvallen van de enorme nurl of zorgden ze ervoor dat ze niet geflankeerd zouden worden door enkele van de snellere nurls.
De strijd leek stil te vallen. Het ging continu en krachtig door, maar geen van beide partijen won terrein. Luwen ademde zwaarder. De vermoeidheid begon hem te overvallen. Hij zag iemand aan zijn rechterkant vreemd bewegen.
Het was Eziel. Hij sprong naar voren en viel de nurl-leider aan met zijn strijdknots. Ze hief haar nu glanzende zwaard ter verdediging. Eziel zwaaide zijn wapen naar beneden, maar de nurl-leider pareerde het gemakkelijk. Het leek erop dat ze sterker was dan de gemiddelde nurl, en het zwaard had een soort kracht in zich. Ze wisselden meermaals klappen uit.
De leider was sterker. Ze zwaaide haar zwaard opzij en sloeg Eziels wapen uit zijn hand. Luwens adem stokte. Hij stapte achteruit. Ik moet helpen!
De nurl-leider haalde uit naar Eziel. Hij dook weg en wist de klap te ontwijken, maar kreeg toen een trap in zijn buik en viel op de grond. De leider hief haar zwaard op en haar wapen daalde neer op Eziel, die een holle uitdrukking op zijn gezicht had. Luwens mond viel open. Stop haar! Hij kon niets doen.
“Ne-de-riaaa!” riep Eziel. Hij duwde zijn handen voor zich uit. Ze gloeiden oranje. Oranje deeltjes stroomden uit Eziels handen en vormden een oranje barrière voor hem.
Het wapen van de nurl-leider botste tegen de barrière en kaatste terug. Ze viel nog drie keer aan, maar het bijna onzichtbare schild bleef intact.
Eziel kan ook magie gebruiken! Het was moeilijk voor Luwen om te geloven, maar hij was blij dat dit op wonderbaarlijke wijze Eziels leven had gered.
“Ga weg van de rotsen! Of we komen tussen de groepen te zitten!” schreeuwde Galendil. Het leek erop dat hij ze vooral van achteren versterkte, constant oranje gloeiend.
Luwen gromde. Ze waren dichterbij verliezen dan winnen. Samen trokken ze terug de heuvel op en bleven de aanvallende horde afweren. Het enige wat ze konden doen was de vooruitschietende nurls blokkeren. Veel van de nurls slaagden erin hen te krassen of te snijden. Vooralsnog waren er geen dodelijke gewonden.
De hitte nam weer toe.
Luwen wendde zich tot de sjamaan, die weer een zwarte vuurbal aan het klaarmaken was, deze veel groter dan de vorige. Shit! dacht Luwen. Dat kan ons einde zijn!
“Iedereen!” schreeuwde Deroan. “Ik … ik … ik … Als die vuurbal komt, ga verder achteruit!”
“Wat?! Nee!” zei iemand. Luwen kon tijdens het gevecht niet duidelijk horen wie. Iedereen leek perplex door Deroans aankondiging.
“Het is oké! Doe het!” zei Deroan, alsof hij geruststellend probeerde te klinken.
Er was geen tijd. De enorme vuurbal, zo groot als een nurl, werd naar hen gegooid.
De nurls stapten achteruit. Luwen en de meeste krijgers deden hetzelfde en vertrokken volgens de instructies, weg van de rotsblokken en de nurls. Deroan bewoog zich recht voor de vuurbal. Hij gaat zichzelf opofferen! dacht Luwen bitter.
“Laten we eens kijken of dit echt zo werkt,” mompelde Deroan, waarna hij zijn vuisten balde.
Luwen rende weg met de anderen. Hij keek achterom en zag Deroan een open hand naar de vuurbal opsteken. Toen sloot hij zijn hand.
De vuurbal ontplofte.
De ontploffing kwam niet in de richting van Deroan. In tegenstelling, het verspreidde zich breed over de heuvel en het pad, waardoor een lange muur van zwart vuur ontstond.
Deroan legde zijn hand neer en trok even zijn schouders op. Hij draaide zich om en rende naar Luwen en de anderen. Achter hem werden de nurls verbrand door het vuur of erdoor teruggeduwd, schijnbaar bang om er door heen te gaan.
“Blijf rennen!” Galendil gebaarde dat ze verder moesten gaan. Het vuur bleef branden, verspreidde zich zelfs verder en omsingelde bijna de nurls.
Luwen slaakte een diepe zucht. Ze kunnen ons niet achtervolgen. We hebben enorm veel geluk.
Ze volgden het smalle pad en lieten de brandende muur achter zich.
Dertig minuten later gingen ze in een normaal tempo verder. Luwen kon in de verte nog steeds rook zien, maar er waren geen tekenen geweest van nurls die hen volgden.
“Ik heb dat soort vuur eerder gezien,” zei Galendil vanuit de voorkant van de groep. “Het zal uren branden.” Hij pauzeerde. “We hebben ze niet verslagen, maar we hebben ze misschien wel verloren.”
Luwen staarde naar beneden. Het leek alsof iedereen dat deed. We zijn niet zo onoverwinnelijk als we dachten… We mogen blij zijn dat we ongedeerd zijn weggekomen.
Een tijdje hing er een stilte tussen hen, een sombere stilte.
“Eziel…” zei Luro, de stilte doorbrekend, “ik ben nieuwsgierig naar iets. Heb je echt… Heb je echt net ‘Nederia’ geroepen?”
Eziel gromde. “Het was in het moment, Luro.”
“Maar alleen ‘Nederia’?”
“Ja, Luro. Dat riep ik ja.” Eziel klonk geïrriteerd.
“Oké. Oké. Ik wilde gewoon duidelijk zijn.”
Er kwam wat gegrinnik uit de groep.
“We kunnen om Eziel lachen, maar hij toverde wel iets”, zei Desmond. “Niet veel van ons hebben dat gedaan. Het leek alsof het in dit gevecht slechter was dan de vorige.”
“Klopt.” Luro knikte. “Het zou leuk zijn geweest om dat met juwelen bezette zwaard te hebben als het beter ging.” Hij keek naar beneden.
“Hebben jullie Deroan gezien?! Supergaaf!” zei Gren met een brede glimlach.
“Galendil, waar komt onze magie vandaan?” vroeg Kirn.
“Ik weet het niet zeker,” zei Galendil. “Het is niet Elfachtig, niet echt… Het is vreemd. Ik weet van zijn aanwezigheid, maar niet van zijn oorsprong. Ik weet ook niet wat het potentieel ervan is.”
“Kun je ons trainen?” vroeg Luro.
Een zucht kwam van Galendil. Dat had hij al een tijdje niet meer gedaan. “Ik kan je een paar van de oude manieren leren, als er tijd is, maar je moet jezelf de nieuwe manieren leren, wat die ook zijn. Jullie zijn allemaal anders dan ik. Als we de poort zijn gepasseerd, is er misschien tijd om je een paar trucs te leren.”
De aankondiging maakte ze allemaal erg enthousiast. Welke mogelijkheden hebben we nog meer? vroeg Luwen zich af. Ze stelden meer vragen, maar het leek erop dat magie te ingewikkeld was om snel uit te leggen en Galendil zei er niet veel over.
“Galendil, waar gaat de poort eigenlijk naartoe?” vroeg Deroan.
“Het is de enige doorgang naar Florend, het land dat door Ghalva is verwoest,” zei Galendil.
Deroan knikte. “Oké, maar als we er niet langs kunnen, kunnen we dan niet gewoon op een gegeven moment de muren beklimmen?”
“Nou, dat is het punt, er zijn geen muren bij de Poort van Kur,” zei Galendil nuchter.
Deroan fronste zijn wenkbrauwen. “Wat is een poort zonder muren?”
Galendil grinnikte. “Je gaat het zien.”
Ze lieten de heuvels achter zich, en ook het groene gras. De grond werd langzaam dor en bruin. We lopen een woestijn in, concludeerde Luwen. Waar zal het ons heen leiden? Wat is deze Poort van Kur zonder muren? Hij slikte. Ze hadden vandaag een klap gekregen. Ze marcheerden echter nog steeds naar voren en zouden de Poort van Kur bereiken. Vooruit, Luwen. Vooruit, Nederia.
—

“Toen de toenmalige raad een oplossing probeerde te bedenken, kwam De Nacht van Nood, de nacht waarop het allemaal begon, volgens sommigen. De oceaan kwam tot leven en rees, alsof hij rechtop stond. Een enorme tsunami met naar verluidt duizend ogen naderde het land en stortte er overheen. Boerderijen, dorpen en zelfs steden werden weggevaagd. Miljoenen stierven. Het laagste deel van het land was in de loop van een nacht bij de oceaan gevoegd. Een kwart van onze natie verdween. Dat was nog niet het einde. Het water bleef stijgen.”
Hoofdstuk 6.
Luwens voeten zakten weg in het losse zand van de woestijn, bij elke stap leken zijn schoenen begraven te worden. Hij gromde en pufte terwijl hij zijn voet weer optilde en verder naar voren sjokte. De voortgang was traag in de woestijn met de brandende zon in de heldere hemel. Ze hadden vannacht kort gerust, maar liepen nu al bijna vier uur, vanaf zonsopgang. Deze laatste duin moest de grootste tot nu toe zijn geweest. Ik zal blij zijn om deze achter ons te zien, dacht Luwen terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste.
Een minuut later bereikte hij de top van de duin. Galendil en een paar anderen zaten daar al. Luwen liet zich in het zand vallen en slaakte een diepe zucht. “Ik mis bijna de aanblik van Duisterwater na dit alles, bijna… Dit doe ik niet snel weer.”
“Dat hoeft ook niet,” zei Desmond rechts van hem.
Luwen keek omhoog en zag waarom. Een paar honderd meter verder hield de oceaan van bruin zand eindelijk op. Het kwam abrupt tot een einde en veranderde in een enorme gele rivier. Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes. “Komt er rook uit de rivier?” Over de hele lengte van de rivier, die buiten zijn gezichtsveld doorging, dreven gele rookslierten de lucht in. Een geur prikte in zijn neus. Zelfs hier hing een vage geur van zwavel uit de rivier om hen heen.
“Dat komt er zeker,” zei Galendil, die links van Luwen zat met een paar personen ertussen. “Het water kookt niet, maar het is zeer corrosief.”
“Een poort zonder muren.” Deroan knikte herhaaldelijk.
Natuurlijk. Luwen begreep het eindelijk en keerde z’n blik terug naar de gele rivier. Verderop langs de rivier, rechts van hen, bewaakte een enorme witte poort een smalle strook land die over de bijtende rivier liep. Er leek geen ander punt te zijn waar de rivier kon worden overgestoken. De poort van Kur. Luwen beet op zijn lip. We zijn er bijna.
“Hoe is de rivier zo gekomen?” vroeg Kirn die links naast Luwen zat.
“Vrijwel zeker is het veroorzaakt door Ghalva, of wat de duisternis ook is die ons land heeft vernietigd,” zei Galendil. “Toch gebeurde dit honderden of duizenden jaren voordat het Duisterwater verscheen… De kracht die dit ons land heeft aangedaan, het is iets ouds. Ik betwijfel of het zelfs in de oude geschiedenisboeken van de Elfen staat. Een corruptie van de natuur. Misschien zelfs een vijand van Areos, hoewel ik niet durf te zeggen of dat de waarheid is of niet.
“Het land omringd door de rivier, Florend, als je het nog zo mag noemen, is enorm. Het zou weken duren om van de ene naar de andere kant te reizen. De tempel van Azzik ligt in het midden van het land, waar vroeger de hoofdstad lag. Maar om daar te komen, moeten we eerst door de poort.”
“Wie bewaakt de poort?” vroeg Gwaire.
“De poortwachters.” Galendil grinnikte, schijnbaar genietend van zijn eigen grap. “Ze zijn heel bijzonder. Sommigen zeggen dat de poortwachters oude overblijfselen van Florend zijn, en dus veel ouder zijn dan ik. Maar het kan ook zijn dat ze zich op een rare, unieke manier voortplanten en de huidige poortwachters slechts één van vele generaties zijn. Ik heb ze alle vier verschillende keren ontmoet. Nou ja, ze komen altijd met vier opdagen die in ieder geval op de eerdere lijken… Ooit realiseerde ik me dat er gemakkelijk meer van hun konden zijn en dat de anderen gewoon binnen de poort verborgen blijven. Er zijn zoveel dingen met hen die ik niet kan uitvogelen… Het is vervelend als de neten … Je zult zien wat ik bedoel. Ondanks dat beschouw ik ze als wijs en vriendelijk, in het algemeen… Helaas zijn ze meer bezig met het vastleggen van geschiedenis dan met het vertellen ervan, meer met het stellen van vragen dan het geven van antwoorden.
“Ik heb ook een weddenschap met mezelf gesloten, maar ze laten ons niet door als ik jullie vertel waarover.” Galendil zuchtte. “Je zult het zien. Je zult het zien.”
Luwen fronste zijn wenkbrauwen. “Je praat veel maar zegt niets.”
Galendil grinnikte. “Dit is hoe het moet zijn.”
“Dus,” zei Tan. “Als we hun goedkeuring nodig hebben, betekent dat dan dat ze sterker zijn dan wij?”
Galendil bewoog zijn lippen opzij. “Op een manier. Het is me niet altijd gelukt om door deze poort te komen.” Hij keek naar beneden. Hij weigerde altijd te praten over eerdere groepen die met hem meegingen. “Als ze echt wilden, zouden ze ons zeker kunnen overmeesteren, voor een moment. Een langer gevecht kan een ander verhaal zijn, hoewel het doden van hen ernstige gevolgen zou hebben. Deze poort bestaat niet voor niets. We zijn hier niet om te vechten tot de dood. Blijf echter scherp. We vertrekken nu.” Hij stond op en strekte zijn armen, fit lijkend.
Kirn fronste zijn wenkbrauwen. “Galendil, moesten we echt naar de top van deze duin te komen? We hadden net zo goed op een lager punt deze duin voorbij kunnen gaan.”
Galendil grinnikte. “Het is een goede oefening voor jullie allemaal, en ik geniet van het uitzicht.” Hoewel hij meer uitgeput zou moeten zijn dan zij, zag hij er zo fris uit alsof de dag net begonnen was.
Luwen hield zijn hoofd schuin. De eikel… Hij gebruikt magie om zijn uithoudingsvermogen te herstellen.
Galendil floot een onbekend deuntje terwijl hij de grote duin afdaalde. Luwen en de anderen volgden snel maar in een langzamer tempo. Ze liepen regelrecht naar de witte poort.
De enorme witte poort voor hem leek bijna zo groot als een klein kasteel, een enorm bouwwerk dat Luwen alleen in oude geschiedenisboeken had gezien. De schuine muren van de barrière bestonden uit judal vermengd door een alchemist met metaal, althans zo had Galendil het uitgelegd. Het zorgde voor een sterke basis die niet wordt beïnvloed door bijna alle elementen van magie en het weer. De torens aan elke kant waren drie verdiepingen hoog en ook de boog had messcherpe torenspitsen. De poort zelf had enorme tralies gegraveerd met runen, waardoor hij waarschijnlijk onbreekbaar was. Elke toegang tot het pad dat de gele rivier overstak, werd geblokkeerd door de poort. Het water borrelde en de gele rook hing over het land als een dunne mist die om hen heen zweefde.
Voor de Poort van Kur wachtten vier stille figuren. Hun lichaamsvorm was mensachtig en ze droegen leren kleding. Twee van hen leken vrouwelijk en de andere twee mannelijk. Aan één ding kon Luwen alleen zien dat ze geen mensen waren, of welk ras waar hij dan ook ooit had van gehoord. Hun hoofden waren die van dieren.
Het is niet alsof ze deze droegen als een soort zieke helm, nee. Hun ogen knipperden en monden bewogen ook. Het was echt hun hoofd. Van links naar rechts bestonden de poortwachters uit: een man met de kop van een neushoorn, een vrouw met de kop van een uil, nog een vrouw met de kop van een tijger en de laatste man had de kop van een rat.
Luwen huiverde. Smerig.
Galendil stapte naar voren. “Zo, hier zijn we weer.” Zijn toon klonk nu al chagrijnig, ook al hadden de poortwachters nog geen woord gezegd. “Laten we in overleg gaan.”
De poortwachter met de kop van een neushoorn wenkte hem naar binnen. “Laten we naar binnen gaan. Vertel me over je laatste reizen en deze groep.”
Galendil zuchtte heel hoorbaar. “Blijf hier. Rust de komende dertig minuten of zo.” Hij volgde de vier poortwachters en ging de rechtertoren binnen.
Luwen fronste zijn wenkbrauwen. Dat was vreemd.
De magie in hem kwam in beweging toen Luwen het in kleine porties probeerde te beheersen. Het was een uur geleden dat Galendil was vertrokken.
Een kraak.
Luwen liet de magie in hem vervagen.
Een deur ging open en Galendil verliet de rechtertoren. Hij had zijn lippen op elkaar gedrukt en een norse uitdrukking op zijn gezicht. Met zijn handen op zijn rug, liep hij naar hen toe terwijl hij opzij keek. Hij stopte op de plek waar ze allemaal op de grond zaten. “Ik verontschuldig me voor de vertraging. Slim van jullie allemaal om te gaan zitten terwijl jullie rusten. Ik ben bang dat het nieuws dat ik breng geen goed nieuws is. We kunnen niet door de poort.”
Luwen hapte naar adem. Dat deden enkele anderen ook. Maar we zijn helemaal hierheen gekomen! Luwen haalde zijn handen door zijn haar.
“Onmogelijk!” Luro klonk boos. “We zijn zo ver gekomen en hebben bijna alles goed gedaan!”
Galendil knikte herhaaldelijk en stak zijn handen in de lucht. “Ik weet het. Ik weet het. We zijn de kolos en die nurls gepasseerd, maar dit is ons einde. Het spijt me vreselijk, mijn mannen.”
“Hoe zit het met Nederia?!” riep Gren uit.
“De dingen zullen zo blijven. Mijn excuses,” zei Galendil spijtig. “Wat een verspilling van een man ben ik.”
“Ik heb een idee!” schreeuwde Eziel. “We zwemmen langs de poort!”
Luwen greep zijn voorhoofd. Ik zweer het… soms vraag ik me af waar het mis is gegaan met Eziel.
Galendil streelde zijn kin. “Dat is zeker een idee, Eziel. Helaas is dat geen optie. Het water brandt door onze huid ben ik bang.”
Luwen hield zijn hoofd schuin. Er ontbreekt iets… Meer van hun groep leken hun hoofd schuin te houden. Er heerste verwarring om hen heen.
“Dat was een perfecte kans om Eziel terecht voor de gek te houden,” zei Luro.
“Maar Galendil zuchtte niet eens,” zei Tan terwijl hij zijn handpalmen opstak.
“Zo’n slecht idee was het niet…” Eziel probeerde zichzelf te verdedigen.
Deroan greep Eziels schouder vast. “Dat was het wel, mijn vriend. Zeker weten.”
“Wacht even!” zei Kran. “Galendil heeft zich nooit verontschuldigd. En nu doet hij het al twee keer?!”
“Hoe komt het dat hij niet zuchtte bij wat Eziel zei?!” vroeg Luwen zich hardop af.
Galendil hield zijn hoofd schuin. “Je vindt me vast en zeker toch niet zo wreed.”
“Ja dat vinden we wel!” zei Desmond. “Wat is er mis met je?”
“Dit kan Galendil niet zijn! Of ze hebben hem betoverd!” zei Kran.
Een luid gelach vanuit de rechtertoren, maar niemand liet zich zien.
Galendil zuchtte, maar niet zijn natuurlijke, meer een verslagen zucht. “Te denken dat ze er op deze manier achter zouden komen.” Zijn hoofd bewoog plotseling opzij, dan opnieuw, maar heftiger. Het zwaaide naar alle kanten en het lichaam van Galendil beefde en veranderde van kleur.
Luwen deinsde terug met een samengeknepen uitdrukking. Wat in Areos gebeurt er?
Het lichaam van Galendil veranderde verder. Tien seconden later was hij veranderd in de neushoornpoortwachter van eerder. “Ik gedraag me nog steeds te aardig om voor jou uit te komen.” Zijn stem was dieper geworden, en minder… afstandelijk.
Een vormveranderaar… Luwens mond viel open. Gaaf.
Galendil kwam weer uit de rechtertoren. Maar deze keer had hij een triomfantelijke glimlach op zijn gezicht die meteen het bewijs leverde dat dit de echte was. “Ik wist dat je dit zou proberen, Ryder. Ik heb een weddenschap met mezelf gewonnen. Dat is weer een Poderiaanse biefstuk voor later.”
“Hoe kun je je mannen zo behandelen?” vroeg Ryder, schijnbaar vol ongeloof.
“Oh, dat is gewoon de manier waarop ik met mijn jongens werk.” Galendil bleef grijnzen, zijn karakteristieke grijns.
De andere drie poortwachters liepen ook naar buiten. Hoewel ze qua vorm gelijk waren, waren ze ook drastisch veranderd. De uil was veranderd in een zwarte schaduw, alsof zwarte rook maar dikker was. De tijger had een kristallijn uiterlijk, deels transparant maar toch glanzend. De rat zag eruit alsof hij van modder was gemaakt. Hun uiterlijk leek constant te veranderen, alsof hun lichaam anders functioneerde en het moeilijk was om in dezelfde vorm of hetzelfde materiaal te blijven. Ryder leek echter een expert, of deed meer moeite.
Luwen bewoog zijn lippen opzij. Ze behouden waarschijnlijk hun vorm voor de duidelijkheid voor bezoekers. Hij kantelde zijn hoofd opzij. Of ze hebben hun geslacht en uiterlijk volledig veranderd en bootsen elkaar na. We hebben geen manier om het te weten. Hij gromde. Hij begreep waarom Galendil gefrustreerd raakte toen hij probeerde te achterhalen hoe de poortwachters werkten.
Galendil keek Ryder fronsend aan. “Moest je nou zeggen ‘Wat een verspilling van een man ben ik’ terwijl je je voordeed als mij?”
Ryders lippen krulden een beetje omhoog. “Het leek passend.”
Galendil zuchtte. “Oké dan. Nou, jongens, zoals iedereen behalve Eziel kan zien, zijn de poortwachters van de Poort van Kur vier vormveranderaars.”
“Wie zegt dat we maar met vier zijn?” viel Ryder hem in de rede. “Wat als een vijfde er ook is, maar die in een minuscule vorm is veranderd en zich ergens verstopt?” Hij staarde Galendil met opgetrokken wenkbrauwen aan.
Galendils mond ging open. Toen ging het weer dicht. Hij schudde zijn hoofd, gromde en keek weg.
De vormveranderaar grijnsde. Hij weet dat Galendil het niet zeker weet, en dat dat Galendil irriteert, dacht Luwen.
Galendil schraapte zijn keel. “Hoe dan ook, ze houden van hun kleine tests… en gebruiken ze om te zien wie door de poort mag en wie niet. Hoewel het dwaas lijkt, onthoud dat als we niet slagen voor hun test, onze missie mislukt.” Hij keek hen ernstig aan.
“We hebben nog twee tests voor jullie,” zei Ryder. Hij leek de leider van de groep te zijn. “We beginnen meteen.” Hij schraapte zijn keel. “Jullie kwamen er al snel achter dat ik Galendil nadeed, waarmee je jullie verstand en scherpte bewees. Nou ja, de meesten van jullie tenminste. Hoe goed ga je om met emoties wanneer je met jezelf wordt geconfronteerd? Hoe goed kennen jullie elkaar?” Hij wendde zich tot Galendil, toen trilde zijn lichaam net als voorheen. Langzaam veranderde hij weer van uiterlijk. Deze keer in een… Nederiaan. Maar niet één die Luwen kende. Deze had veel zwarte bulten, maar zag er toch krachtig en gespierd uit.
Galendils lippen draaien naar beneden. “Echt waar, hij? Ik weet dat hij ons dichtbij heeft gebracht en het lang geleden is, maar dat maakt de herinnering niet minder pijnlijk.”
Ryder, in de vorm van een Nederiaan, maakte een lichte buiging, alsof hij zich verontschuldigde. Hij draaide zich om naar de groep. Zijn lichaam trilde weer, maar deze keer maar een klein beetje. Ryders lichaam veranderde weer. Het bleef een Nederiaan, maar deze keer zag hij er bekend uit… Het leek op… Eziel. Ryder was in Eziel veranderd.
“Om nou net hem van hem een tweede versie te maken.” Kran trok zijn wenkbrauwen op.
Ryder, het evenbeeld van Eziel, liep langzaam naar Eziel toe en staarde hem constant aan. Hij stopte voor hem. “Ik wil niet dood.”
Luwen trok zijn hoofd naar achteren. Zulke heftige woorden…
Eziel verstijfde. “Ik… ik wil ook niet dood.”
“Ik wil terug naar huis,” zei Ryder met dezelfde stem als Eziel.
Eziel kreeg een geknepen uitdrukking. “Nee… ik niet… ik… We moeten dit doen voor Nederia.”
Ryder sprong op Eziel en viel hem aan. Het was zo plotseling dat Luwen twee keer met zijn ogen moest knipperen om te beseffen wat er gebeurde. Ze gingen naar de grond en begonnen te worstelen in het zand. Luro deed een stap naar voren, maar Galendil stak zijn hand uit.
“Laat ze,” zei Galendil met samengeknepen lippen.
Eziel en Ryder, die ook op Eziel leken, worstelden en rolden over de vloer. Inmiddels was het onmogelijk om te weten wie wie was.
Een van de Eziels duwde zich van de ander af en stond op. De ander volgde.
Verdomme, dacht Luwen. Ik heb geen idee wie de echte Eziel is.
Galendil zuchtte. “Dit is hun test. We moeten de echte kiezen.”
“Laat hem achter!” zei de eerste Eziel, wijzend naar de andere Eziel. “Hij is die olifantenman!”
Luwen greep zijn voorhoofd. Die klonk tenminste als Eziel. Als het Ryder was, was het in ieder geval de perfecte imitatie.
“Ik weet niet hoe dit verwisselen van vormen werkt, maar laat je niet misleiden! Hij is mij niet!” De woorden van de eerste Eziel klonken bijna als een smeekbede.
Luwen perste zijn lippen op elkaar en knikte. Dit lijkt meer en meer op Eziel.
De tweede Eziel zuchtte. “Dat is indrukwekkend en zo, en ik voel me beledigd, maar…” Hij sloot zijn ogen en stak zijn hand uit. Het begon oranje te gloeien. Langzaam toverde deze Eziel een wapen tevoorschijn, een oranje strijdknots.
Magie… Oranje magie die Eziel eerder ook liet zien, dacht Luwen.
De eerste Eziel liet zijn handen zakken en drukte zijn lippen plat. Hij staarde met een lange blik naar de tweede Eziel. “Dus dat kun je al gebruiken.” Hij slaakte een lange zucht, ogenschijnlijk geïrriteerd. Zijn lichaam schokte en een paar seconden later was Ryder weer in zichzelf veranderd met de kop van een neushoorn. “Je slaagt ook voor deze test, maar dat was niet glorieus.”
Eziel haalde zijn schouders op en ontspande zich toen. “Goed genoeg voor mij.” De oranje gloei vervaagde.
Luwen grijnsde. Ik wist niet dat Eziel al zoveel controle had over zijn magie. Hij moet geoefend hebben. Hoe dan ook, het had zonder enige twijfel duidelijk gemaakt wie de echte Eziel was, zij het niet op een indrukwekkende manier.
“De laatste test,” kondigde Ryder aan. “Als jullie niet slagen voor deze test, zullen we jullie niet laten door laten gaan, want dat zou roekeloos zijn. Misschien zijn jullie ondertussen niet zo bang voor ons als Galendil waarschuwde, maar nu laten we jullie zien hoe we deze poort eeuwenlang hebben verdedigd, hoe we hebben gezorgd dat kwaadaardige wezens Florend niet hebben verlaten of anderen hier schadelijke soldaten konden verzamelen. Jullie allemaal, inclusief Galendil, zullen Jilzeca bevechten.”
De poortwachter met een tijgerkop stapte naar voren.
Galendil wenkte hen allemaal om naar hem toe te komen. Toen ze eenmaal verzameld waren, sprak hij hen met zachte stem toe. “Ik weet niet wat er zal verschijnen. We moeten op alles voorbereid zijn.”
Een zachte stem onderbrak Galendil om zijn toespraak voort te zetten. “Maak je geen zorgen dat je me pijn doet.” Jilzeca kraakte haar nek. “Maak wat ruimte.” Ze pakte haar schouders vast en begon enorm te trillen.
“Maak afstand!” Galendil joeg ze weg van de poort.
Luwen knipperde snel met zijn ogen. Wat is er in Areos aan de hand?! Hij volgde de rest en keek hoe Jilzeca transformeerde.
Ze veranderde in een groen-zwarte massa, een massa die alle kanten op zwaaide en uitbreidde. Het breidde zich uit en breidde zich uit. Het strekte zich uit tot een lange cilinderachtige vorm, één die op en neer bleef bewegen. Het moest nu zes meter zijn.
Jilzeca bleef transformeren. De massa strekte zich uit tot ze enorm was en al over de boog reikte. Toen groeide ze schubben en vormde er zich een mond met hoektanden.
Luwen keek met grote ogen en open mond toe. Jilzeca was veranderd in een enorme slang. Haar breedte moest twee meter dik zijn terwijl haar hele lichaam groter was dan vijftien meter, schatte Luwen. Wat een kracht. Luwen kon niet anders dan verbaasd staren.
“Daarom zijn de poortwachters zo succesvol in hun werk,” zei Galendil, die nog steeds onder de indruk leek. “Ze kunnen elke vorm aannemen, maar deze enorme vormen kosten veel energie.”
“Moeten we dit bestrijden?” Kirn klonk vol ongeloof.
“Nou…” Galendil zuchtte. “Het was een vergissing van hen om deze vorm aan te nemen.” Hij pauzeerde. “Luwen,” zei hij met droge stem, waarna hij Luwen wenkte om naar voren te gaan.
Luwen gromde en knikte instemmend. Hij stapte in de richting van het gedrocht, nog steeds op veilige afstand blijvend.
Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich weer op het vuur in hem. Hij liet het opzwellen, net als de vorige keren. In plaats van alles er in één keer uit te laten, liet hij het nu in kleine golven naar buiten komen. Een dunne oranje stroom vloog uit zijn hand en ging recht de grond in.
Een gerommel vanaf de grond.
Luwen hief zijn handen omhoog
Areos begon te beven. Als eerste was de beving in een vrij groot gebied. Luwen had de aardbevingen echter beter onder controle gekregen. Hij slaagde erin het gebied te verkleinen tot Jilzeca.
De enorme slang viel op de grond en kon niet genoeg evenwicht vinden. Op de grond gleed ze naar voren.
Luwen stak zijn handen naar voren.
Areos begon anders te trillen, alsof de grond wegging van Luwen.
Jilzeca bleef proberen naar hen toe te kruipen, maar legde met haar glibberige bewegingen geen enkele afstand af. Ze slaakte een schrille kreet, zeker uit frustratie.
Met gecontroleerde ademhalingen bleef Luwen zijn magie laten stromen. In deze toestand kon hij dit veel langer doen. De cyclus van Jilzeca die vooruit probeerde te komen en Luwen die haar blokkeerde, ging door. Het was een patstelling.
Vijf minuten later stopte Jilzeca. Ze deed geen poging meer vooruit te komen.
Luwens lippen krulden omhoog. We hebben gewonnen.
Langzaam begon Jilzeca te krimpen. Haar tijd was om, zo leek het. Het lichaam vouwde bijna in elkaar en de schubben vervaagden. Na nog een paar tellen bleef alleen de vrouw met de kop van de tijger over, alleen nu had haar huid de bruine en groene kleur van de slang. Jilzeca had haar handen op haar knieën en hijgde zwaar. Ze tuurde naar hem.
Luwen liet zijn magie los en ontspande zich. Dit moest saai en frustrerend voor haar zijn. De grond stopte met trillen.
Ryder stapte naar Jilzeca toe en steunde haar toen. Hij wendde zich tot Luwen en zijn medestrijders. “De aardbeving zelf is indrukwekkend… Afgezien daarvan deed het pijn aan mijn ogen om dit te zien.” Hij zuchtte. “Je slaagt echter voor de test en hebt ook bewezen dat je waardig bent. Jullie mogen allemaal door de poort en Florend binnengaan.”
Gejuich van achter Luwen. Ze renden naar hem toe en vierden feest met hem. We gaan naar Florend! Luwen glimlachte breed. Hij was het ermee eens dat deze manier niet de meest spectaculaire was, maar hoeveel maakte dat uit als ze Nederia konden redden?
Ze gingen de poort binnen. Er waren slaapvertrekken in de torens en iedereen mocht de nacht doorbrengen om bij te komen van de vermoeiende reis tot nu toe.
Een volledige nachtrust had Luwen goed gedaan. Voor het eerst stonden ze aan de andere kant van de poort, klaar om over de smalle strook land richting Florend te belopen. De bijtende zee om hem heen creëerde een dikkere gele mist die in zijn neus beet en pijn deed aan zijn ogen. Toch was hij blij dat ze hier waren aangekomen.
“Dus jij en Gren…” zei Jilzeca tegen Deroan. “Hoe anders. Echt fascinerend. Maar waarom ook niet? Misschien… Misschien moeten we er ook meer op uit trekken en meer te weten komen over deze nieuwe concepten.”
Deroan knikte. “Ik vertrouw erop dat jullie er wijzer van worden.”
Galendil grinnikte. “Een poortwachter die zich naar buiten waagt… Zelfs jullie kunnen veranderen. Dat ik de dag zou meemaken.”
“Natuurlijk kunnen vormveranderaars veranderen,” zei Ryder grijnzend.
Niemand reageerde op zijn grap.
Ryder stak een hand uit naar Galendil. “Moge je de tempel vinden en dan je land redden.”
Galendil schudde Ryder de hand en knikte diep, met bijna een buiging. “Dank je, Ryder.”
“Waarom sluit jullie je niet bij ons aan?” vroeg Kran.
“Veel slechte wezens liggen op de loer in Florend,” zei Ryder. “Ook veel gevaarlijke nurls, degenen die er al waren voordat we de poort hadden gebouwd. De meeste van deze slechte dingen worden aangetrokken door onze aanwezigheid. We kunnen ons hier verdedigen en ervoor zorgen dat anderen binnen blijven, maar we maken jullie missie alleen maar veel moeilijker of onmogelijk. Je zult zelf naar de tempel moeten reizen.”
Ze bespraken nog wat andere onderwerpen en namen toen afscheid. Luwen was de laatste die hen verliet.
“Wacht even, Luwen.” Ryder stapte naar hem toe. De rest van de groep was al vertrokken.
Luwen fronste zijn wenkbrauwen, maar wachtte respectvol af. “Wat is er, Ryder?”
Ryder stopte vlak bij Luwen. Zijn stem was slechts een fluistering, maar zijn toon was ernstiger dan Luwen tijdens hun hele verblijf had gehoord. “Jouw kracht is niet het veroorzaken van aardbevingen. Het is veel meer. Graaf dieper. Vind het. Als je dat niet doet, zal de missie zeker mislukken.” Ryder knikte en draaide zich toen om.
Luwen bleef stomverbaasd achter. Wat betekende dat? Met een bevroren uitdrukking draaide hij zich om en volgde de anderen. Terwijl hij naar Florend toe liep, probeerde hij Ryders woorden te begrijpen.
—

“De raad van alle wezens, de rijke dwergen, de machtige mensen, de sluwe orks en de wijze elven kwamen allemaal samen. Ze probeerden vele malen het Duisterwater te bestrijden, maar kwamen uiteindelijk maar tot één oplossing; de Grote Barrière. De bron van zijn kracht kan ik nog steeds niet met zekerheid zeggen. De barrière stond om het hele, overgebleven land heen, en eindigde pas bij de bergen van onze buren. Een onzichtbare muur van negentig meter hoog die in het juiste zonlicht spectaculaire oranje stralen over het hele land verspreidde. Toen de Grote Barrière eenmaal op zijn plaats stond, ongeveer vijftig jaar na De Nacht van Nood en driehonderdvijftig jaar voor De Grote Overstroming, mocht je het willen weten, werd Nederia opnieuw een bezienswaardigheid voor rassen over de hele wereld. De Grote Barrière stond bekend als één van de wereldwonderen. Het werkte, voor een tijdje.”
Hoofdstuk 7.
“Dus die energie in ons, je slaagde erin om te detecteren hoe die zich zou manifesteren?” vroeg Kevan aan Deroan.
Een mug landde op Luwens arm. Met een snelle beweging sloeg hij hem dood. Het gesprek achter hem was al een paar minuten aan de gang en Kevan probeerde meer over magie te weten te komen. Luwen duwde een laaghangende liaan weg midden op het geïmproviseerde pad dat anderen hadden vrijgemaakt. De jungle was een brij van bomen en planten in felle kleuren die elke leeg plekje overspoelden, alleen kleine zonnestralen kwamen van boven door en hij miste de geur van frisse lucht. Hun reis zag er zo al uit sinds drie dagen geleden toen ze Florend waren binnengekomen, waarbij vooral Kirn, Kran en Luro een weg hakten voor hun om door te gaan. Het was duidelijk dat hier ooit een oud pad was geweest, maar dat de natuur het bijna volledig had overgenomen.
“Ja,” zei Deroan. “Toen die zwarte vuurbal werd gemaakt door die sjamaan nurl, kon ik op de één of andere manier identificeren wat voor soort magie werd toegevoegd, als dat ook maar iets duidelijk klinkt. Toen het eenmaal naar ons was gegooid, kon ik het ontleden. Ik kon een paar essentiële deeltjes kiezen die nodig zijn om de vuurbal stabiel te houden, en ze naar een brede verdediging verplaatsen. Toen ik dat deed, explodeerde de vuurbal, maar die andere deeltjes zorgden ervoor dat de ontploffing niet mijn kant op kwam. Door die verdedigingsdeeltjes uit te rekken, ontstond de muur.”
Een korte stilte. “Dat is een krachtige vaardigheid,” zei Kevan. Luwen kon niet naar achteren kijken, maar hij verwachtte dat Kevan knikte aangezien hij het moeilijke concept begreep.
“Nou, ja en nee,” zei Deroan. “Nee, want ik kan geen magie zelf creëren. Ik kan alleen verschuiven hoe het werkt. Galendil zegt dat het een extreem zeldzame kracht is die hij maar één of twee keer heeft gezien sinds de Grote Overstroming, maar meestal heeft de betreffende persoon… moeite om de kracht te begrijpen.”
“Letterlijk wat Galendil zei was ‘de anderen waren dom’,” legde Luwen uit aan Kevan.
Kevan grinnikte. “Dan hebben we geluk dat Deroan het heeft. Ik vraag me af wat de mijne zal zijn. Ik hoop iets met natuur, om het te kunnen laten groeien, sturen of genezen bijvoorbeeld.”
Luwen knikte. Iedereen wist dat Kevan affiniteit had met de natuur. Luwen nam de tijd om zijn omgeving zorgvuldig te scannen. Een levendige mengeling van blauwe, gele en roze bloemen, klimplanten en lianen maakte de zijkanten van hun pad bijna onmogelijk om door te kijken. Hij concentreerde zich om te zien of er rood zichtbaar was. Rood betekende gevaar. Rood betekende nurls. Ze waren de afgelopen dagen vier kleine groepen van hen tegengekomen en hadden ze allemaal verslagen. De nurls zouden ook het einde van hun groep aan kunnen vallen, en hij bleef hiervoor op de uitkijk staan.
Op dit moment was er niets roods.
“Nou, ieders vaardigheden komen nu naar voren”, zei Deroan. “Sommigen hebben gewoon meer fysieke capaciteiten, zoals Gren. Anderen zoals Eziel kunnen wapens tevoorschijn toveren, en we hebben Luwen hier… Deze gek kan verdomme aardbevingen veroorzaken.”
Luwen grijnsde. Maar wat kan ik nog meer? Hij had met Galendil gesproken over Ryders mysterieuze woorden. Galendils hoofd trok toen vreemd opzij, alsof hij verrast was door de woorden. Uiteindelijk had zelfs de elf geen idee wat de werkelijke kracht van Luwen zou kunnen zijn, hoewel hij opnieuw een verband noemde met de dag van De Grote Overstroming, de dag van Nederia’s ondergang.
Een schreeuw vanuit de voorkant van de groep.
“Haal dit ding van me af!” De stem kwam van Luro.
Instinct nam Luwen over. Hij rende het pad op om te zien wat er aan de hand was, net als iedereen om hem heen. Hij kwam terecht op een kleine open plek vol rode en zwarte bloemen. Het was omgeven door dikke bomen die dicht bij elkaar groeiden. Luwen hield zijn hoofd schuin. De stammen van de bomen links van hem waren compleet bedekt met lianen. Toen merkte hij eindelijk Luro op, en ook Eziel. Hun benen waren gegrepen door lianen en de twee mannen werden hoog in de lucht getild en hun wapens lagen op de grond. Luwen weerstond een grinnik. Als deze jungle niet zo gevaarlijk was, zou dit best komisch zijn.
“Haal ze eraf, nu!” schreeuwde Galendil.
“Kunnen we ze niet even uitlachen?” vroeg Kran.
Galendil gromde. “Deze lianen bewegen niet uit zich zelf.” Zijn stem werd grimmig. “Eén van de vier is hier.”
Eén van de vier… Luwen greep zijn zwaard, niet wetend wat er aan de hand was.
Kran en Desmond gingen naar voren om hem te helpen.
“Ik heb m’n verdomde wapen niet nodig!” schreeuwde Eziel. Hij sloot zijn ogen en toverde een oranje zwaard in zijn hand. Hij schreeuwde met felle ogen en hakte naar de lianen die hem vasthielden. De lianen werden afgesneden en Eziel landde behendig op de grond en rende naar hun groep.
“Ik heb helemaal geen wapen nodig!” schreeuwde Luro, alsof hij Eziel wilde overtreffen. Hij spande de spieren in zijn armen, en die samen met zijn handen begonnen oranje te gloeien. Hij greep de dikke liaan die hem vasthield met twee handen, klemde hem stevig vast, en hij gromde, schreeuwde bijna terwijl hij hem probeerde uit elkaar te trekken.
De liaan knapte.
Luro viel op de grond, het ene uiteinde van de liaan nog steeds in zijn hand. Luwen knikte herhaaldelijk, onder de indruk. In de afgelopen dagen had Luro oranje magie onder controle gekregen, de magie die hij kort tegen de kolos had gebruikt. Hoewel hij geen snelheid of precisie had gewonnen in zijn fysieke capaciteiten zoals Gren, werd zijn al verbazingwekkende sterkte meerdere malen verhoogd.
In tegenstelling tot Eziel greep Luro wel zijn wapen nadat hij de grond had geraakt. Toen keerde ook hij naar hen terug.
Het bos verschoof. Hele stammen leken te rammelen toen er iets naderde.
“Slechts vier van deze… wezens zwerven door heel Florend. Of we hebben ontzettend veel pech, of het heeft ons op de één of andere manier aangevoeld, waarschijnlijk allebei.” Galendil bewoog zijn lippen opzij. Hij leek verre van vrolijk.
Bomen bogen naar de zijkant terwijl er doorheen een kruipende groene massa zo groot als twee huizen kwam. Dikke lianen en dunne witte stengels gleden over elkaar heen, verstrengelden elkaar en omhulden dit wezen. Of het is dit wezen, vroeg Luwen zich af. Zit er ook iets in? Hoewel het wezen hen had aangevallen, was Luwen er door gefascineerd.
“Deze majestueuze maar laaghartige wezens worden eraeni genoemd. Ze zijn meer plant dan beest, maar toch zijn ze koning onder de beesten in Florend.” Galendil sprak de woorden uit met een vreemd soort waardering.
“Het is echt schitterend.” Kevan staarde met open mond.
“Laat je niet misleiden door zijn schoonheid, Kevan,” zei Galendil op strenge toon. “Het heeft lianen zo sterk als staal en andere lianen die vlijmscherp zijn. Of er zijn binnenkort nog maar drie eraeni over, of het doodt ons. Hou je niet in, jongens.”
“Hoe kunnen we hier in Areos’ naam tegen vechten?” vroeg Desmond.
Galendil gromde. “Dat is onbekend… Er is geen handleiding voor het bestrijden van een eraeni. De lianen groeien terug. Vuur zou de meest voor de hand liggende strategie zijn, maar sommige van de dikkere lianen zijn gevuld met een soort water dat elke vlam dooft. Niemand heeft echter ooit het middelpunt gezien. De meeste theorieën denken dat dat zijn zwakte is.”
“Dus we moeten telkens stukken weghakken en naar het middelpunt gaan?” vroeg Deroan.
Galendil zweeg even. “De lianen groeien te snel terug om dat te doen.”
Luwen fronste “Dus wat doen we dan?”
Galendil knikte. “Ja.”
Tan hief zijn handpalmen op. “Dat is geen antwoord! Hoe verslaan we dit?!”
Luro gromde. “We vechten ertegen.”
Galendil knikte opnieuw. “We hebben veel geleerd sinds we Nederia hebben verlaten. Houd een stabiele verdediging en val aan wanneer je kunt.”
“Deroan, bedenk een tactiek,” zei Luro. Hoewel hij hun sterkste was en zich gedroeg als een soort leider, leek hij Deroans verstand van tactiek te vertrouwen.
“Gwaire, zoek naar een opening met je nieuwe vaardigheid. Kevan, sluit je bij hem aan,” sprak Deroan vol vertrouwen. “Desmond, Luwen, Galendil en ik zullen zorgen voor-“
“Pas op!” onderbrak Gren.
Een liaan uit de eraeni schoot naar voren.
Gren sprong naar voren, oranje gloeiend, en blokkeerde de liaan met zijn schild om Tan te beschermen. “Het wacht niet op ons om in positie te komen!”
Er werden meer lianen naar hen geslingerd. De eraeni brulde. Een diep gerommel dat Luwen even bevroor.
“De rest, val aan en volg Luro’s leiding!” schreeuwde Deroan bijna. Het was duidelijk dat hij het belang inzag om iedereen onmiddellijk paraat te hebben.
Ze vetrokken naar de eraeni. Het gigantische beest, als het een beest genoemd kon worden en geen natuurkracht, slingerde zijn lianen naar voren. Dikke en vlijmscherpe schoten langs de aanvallende krijgers van Nederia.
Luwen rende naar rechts en ontweek ternauwernood een liaan zo dik als een been. Hij gromde. Een aardbeving zal hier niets uithalen. Ik ben nutteloos in dit gevecht. Hij ging naar Deroan, die naast Galendil stond en met Desmond voor hem, de laatste gebruikte zijn bijl om enkele lianen weg te hakken.
“Denk dat je mijn been kunt pakken! Eet zwaard!” schreeuwde Luro toen hij dichter bij de eraeni kwam. Hij gloeide oranje en zwaaide wild met zijn tweehandige zwaard, links en rechts lianen afsnijdend.
“Dat hij degene is met het vermogen om kracht te vergroten… Wat een geluk.” Deroan keek naar Galendil. “Wist je dat?”
Galendil grinnikte. “Om je de waarheid te zeggen, soms wel, soms niet. Maar zelfs de brute kracht van Luro kan dit beest niet verslaan.”
Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes. Luro zwaaide opnieuw met zijn enorme zwaard. Het beest hief in ruil daarvoor een glimmende liaan op.
Luro’s zwaard stuiterde eraf.
Luwens ogen werden groot. De lianen zijn zo sterk! Geen wonder dat het beest zo’n gevaar is.
Een schrille fluittoon.
Het gefluit van een pijl.
Vanaf de zijkant had Gwaire een pijl op het beest afgevuurd. Het ging naar één van de lianen, wat behoorlijk nutteloos zou zijn.
Gwaire gloeide oranje. Bijna onmiddellijk deed de pijl dat ook. Gwaire hief zijn linkerarm zijwaarts op.
De pijl volgde. Het bewoog zich in het midden van de lucht en ging nu rechtstreeks naar het midden van het beest waar de sterke liaan die tegen Luro was gebruikt eerder was geweest.
De pijl vond zijn weg er doorheen. Het eindigde ergens in het midden van de eraeni.
Een luide kreet.
Vogels vlogen uit bomen.
We hebben het getroffen! Luwen glimlachte. Op de één of andere manier hadden ze een zwakte in dit wezen ontdekt.
“Nu, val aan!” schreeuwde Luro.
Desmond bewoog zich naar voren en hakte met zijn bijl de grotere lianen weg, terwijl Tan vooraan de dunnere lianen met zijn twee zwaarden afsneed. Beide mannen waren, samen met Kevan, de enigen die nog geen magie hadden gebruikt en hun vaardigheid hadden gevonden. Niettemin werkten ze net zo hard als ieder van hen.
Luwen wendde zich tot Kirn. De avonturier sloot zijn ogen, slaakte een diepe zucht en begon oranje te gloeien. Toen verdween hij. Om preciezer te zijn, Kirn verdween niet of werd niet onzichtbaar, hij slaagde er in zijn lichaam en kleding te bedekken met magie en perfect op te gaan in de natuur. Luwen kon een vage vervorming zien waar Kirn was en die stormde op de eraeni af.
Het werd weggeslagen. Het leek erop dat het beest Kirn op de één of andere manier aan kon voelen, en voorlopig leek de nieuwe kracht niet veel nut te hebben.
Gren sprong atletisch van links naar rechts en viel aan waar hij maar kon. Eziel bleef de eraeni aanvallen met verschillende soorten toverwapens. Telkens wanneer hij werd ontwapend of zijn wapen brak, toverde hij net zo snel een nieuwe tevoorschijn. Het gaf Eziel de kans om een roekeloze vechtstijl te gebruiken en constant aan te vallen. Ze zien er allebei indrukwekkend uit, dacht Luwen.
Hoe indrukwekkend ze er ook uitzagen, de eraeni was even indrukwekkend. Het had ook van het gevecht geleerd en hield zijn verdediging omhoog voor Gwaires afstandsaanvallen.
Kran schoot naar voren, gloeiend oranje over zijn hele lichaam. Hij had zijn langzwaard in de ene hand en in de andere… een strijdknots. Eziels strijdknots! realiseerde Luwen. Hij gebruikt een ander wapen. Kran was de meest veelzijdige van hun met betrekking tot wapens. Hij viel de eraeni aan door naar links en rechts te rennen en alleen de lianen af te snijden die hij niet kon ontwijken.
Kran sprong naar voren en schoot door de lucht met zijn stalen strijdknots oranje gloeiend. Hij bereikte de sterke kernlianen van de eraeni en zwaaide de strijdknots terwijl hij in de lucht was.
Een voltreffer. De versterkte knots raakte de sterke liaan. De liaan barstte.
Het beest slaakte weer een diepe kreet.
We zijn aan het winnen! Luwen legde zijn handen op zijn hoofd en glimlachte breed.
Het beest brulde. Het slingerde meer van zijn kernlianen. De Nederianen blokkeerden ze, maar werden door de sterke inslag de lucht in geslingerd. De eraeni kroop naar voren en stond nu midden op de open plek. Het stuurde lianen in alle richtingen.
“Dit gevecht is nog niet klaar!” schreeuwde Galendil. “Zolang het leeft, zal het ons uit alle macht aanvallen!”
Luwen gromde. Ik moet het proberen. Hij slaakte een lange zucht. Hij voelde de magie in zich en stuurde die naar buiten.
Een gerommel van Areos. Het gebied rond de eraeni beefde. Het beest bleef aanvallen zoals voorheen.
Het doet niets! Luwen klemde zijn tanden op elkaar. Graaf dieper, dwaas! Hij liet zijn oranje magie door de grond verspreiden. Hij had het gevoel dat hij iets hards raakte.
Niks gebeurde. De lianen van de eraeni leken langzamer te bewegen, maar Luwen betwijfelde of dat iets met zijn magie te maken had.
Kevan, die vele vergeefse pogingen had gedaan om de eraeni met pijlen te verwonden, sprong over en rende door de vertraagde lianen.
Luwen hapte naar adem. “Kom er niet te dicht bij, Kevan!”
“Ik kan het kalmeren! Ik voel het!” schreeuwde Kevan.
Wat is hij aan het doen… Luwen hield zijn hoofd schuin.
“Hij detecteert het!” Deroan beantwoordde zijn onuitgesproken vraag. “Hij voelt zijn vaardigheid net als ik een paar dagen geleden!”
Kevan slaagde erin om meer lianen te vermijden. Hij klemde zijn tanden op elkaar en zijn handen begonnen oranje te gloeien. Hij legde zijn handen op een bundel lianen in het midden van het beest. “Ik ben je vriend! Wij zijn je vriend! Stop met ons aan te vallen!”
Het beest brulde. Hij zwaaide wild met zijn lianen, alsof hij wanhopig was. De lianen bij Kevan leken achteruit te gaan, ze krompen zelfs.
“Alles is goed!” Kevan bleef met het beest praten. “We zullen je geen kwaad doen!”
De lange lianen van de eraeni werden slap en werden ingetrokken. Ze vielen de andere Nederianen niet langer aan. Zij stopten op hun beurt ook met aanvallen.
Kevan glimlachte. “Het is goed! Alles komt goed!”
De lianen bleven krimpen. Het gebrul van de eraeni werd zachter en zachter. Sommige lianen werden bruin en verrimpeld.
Galendil hapte naar adem, een raar geluid. “Oh nee…”
De eraeni viel stil. Het viel op de grond met al z’n lianen en bewoog niet meer. Luwen glimlachte. We hebben gewonnen!
Allemaal vierden ze feest. Allemaal behalve twee van hun, Kevan en Galendil.
Kevan viel op zijn knieën met zijn mond open en een holle uitdrukking op zijn gezicht. Hij keek naar zijn handen en schudde zijn hoofd, alsof hij boos was op zijn handen.
Galendil slikte hoorbaar. “Kevan heeft niet de kracht om de natuur te beheersen.” Hij pauzeerde. “Hij heeft de kracht van bederf.”
Kevan stak zijn handen in zijn haar. “Nee! Niet deze kracht. Niet dit!” Hij leek bijna te snikken.
Luwen bewoog zijn lippen opzij. Voor iemand die niets liever wil dan de natuur koesteren om deze wrede kracht te hebben…
De andere krijgers vierden feest en de meesten leken Kevans verdriet niet op te merken.
“Goed werk!” Kran klopte Kevan op zijn rug.
“Geweldige prestatie!” Kirn knikte herhaaldelijk.
“Je hebt het gedood!” zei Luro applaudisserend.
Ze hielpen Kevan overeind. Kevan verkeerde nog steeds in een troosteloze toestand, al leek hij tevreden dat ze niet waren omgekomen door het beest.
“Ik heb niet altijd gelijk.” Galendil gromde. “We hebben iets van wat we kunnen laten zien, maar nog niet alles. Meer gevaarlijke beesten en nurls zullen vanaf nu ons pad kruisen. We komen dichterbij de hoofdstad, waar de Tempel van Azzik ligt.” Hij pauzeerde. “Wat ons daar te wachten staat, is sterker dan een eraeni. Het heeft me eerder verslagen. Deze keer laat ik dat niet gebeuren.” Hij kraakte zijn nek en vervolgde zijn weg op een nauwelijks zichtbaar pad dat verder naar het oosten liep.
Hij is al gefocust op het volgende gevecht, dacht Luwen. Hij slaakte een diepe zucht en volgde Galendil. Dat deed iedereen. Deroan liep naar Kevan en omhelsde hem. Het leek alsof hij ook wat geruststellende woorden zei.
De hoofdstad van het oude Florend… Het moet prachtig zijn. Luwen pauzeerde. En gevaarlijk als het Galendil eerder heeft tegengehouden. Hij balde zijn vuisten en concentreerde zich op de magie in hem. Dat zijn wij ook. We gaan vooruit en vooruit. Naar het einde.
—

“De barrière had een keerzijde. Het was gevaarlijk om tijdelijke openingen in de barrière te maken, aangezien het Duisterwater constant op zoek was naar een manier om er doorheen te gaan en elk stuk laaggelegen land binnenviel dat het kon vinden, en rivieren besmette. Degenen die hun land aan het Duisterwater hadden verloren, begonnen klachten en waarschuwingen te uiten. Zij redeneerden dat de barrière permanent gesloten moest worden. Dit was rond de tijd dat ik begon te reizen, wat niet veel elven deden… Andere elven… Hoe dan ook, degenen die de barrière permanent wilden sluiten, kregen wat ze wilden. Nederia, ooit een utopie voor de wereld, werd voor iedereen afgesloten. Vanaf dat punt ging het slechter.”
Hoofdstuk 8.
De jungle eindigde. Voor Luwen stond een afgebroken muur van bruine steen. We hebben het gehaald… De hoofdstad. Het moet enorm geweest zijn… Nou ja, ooit, dacht Luwen. Veel delen van de stadsmuur waren ingestort en het lag begroeid met klimplanten. Een erbarmelijke aanblik.
Hij slaakte een diepe zucht, blij om de groene wirwar van de jungle achter hem te zien. “Betekent dit dat de constante aanvallen ook zullen stoppen?” Na de eraeni hadden ze te maken gehad met veel nurls en andere vreemd uitziende beesten. Ze moesten ’s nachts bewakers rond laten lopen, zodat ze niet in hun slaap gedood zouden worden.
Galendil zuchtte. “Je zult wensen dat ze terugkomen als we niet onopgemerkt in de stad blijven.” Hij stapte naar het laagste punt van het overblijfsel van de muur. “De eerste poort van Florendel is op zijn minst een paar honderd meter verderop, maar een stad die in verval is geraakt heeft zo z’n voordelen.” Hij duwde een paar losse stenen weg en klom toen door het gat in de muur dat hij zojuist had gemaakt.
Luwen grinnikte. Was het maar zo makkelijk om de tempel van Azzig te bereiken. Hij en de anderen volgden Galendil en kwamen de hoofdstad binnen via de geïmproviseerde ingang.
“Welkom in Florendel, jongens. Houd je ogen open,” zei Galendil.
“Dus dit is een stad…” mompelde Desmond.
Allemaal staarden ze met open mond naar de grote ruïnes van Florendel. Zoveel gebouwen… Zelfs na al die tijd. Luwen voelde zich klein tussen de vele stenen gebouwen, elk met twee of zelfs drie verdiepingen. Er leek geen einde aan te komen. De meeste hadden gaten erin of misten een muur, maar de huizen, winkels en geplaveide straten maakten duidelijk dat hier een hele beschaving heeft gewoond. Luwens lip krulde naar beneden. Het voelt zo verlaten. Zo… gebroken.
“De tempel van Azzig ligt ergens in het zuidwesten.” Galendil liep een straat in, duidelijk besluitend dat hij ze genoeg tijd had gegeven om verbaasd te zijn. “We zullen hier waarschijnlijk niet veel nurls vinden. De straten worden er schoon van gehouden… Houd elk gebouw, elke straathoek… en omhoog in de gaten.” Hij gromde. “Ja, het zal waarschijnlijk van boven komen.”
Luwen fronste zijn wenkbrauwen. Een vliegend beest? Wat is er in deze stad?
Het volgende kwartier doorkruisten ze Florendel. Galendil leek te proberen ze in de schaduw of in gebouwen te houden, maar zonder daken was er niet veel van de eerste en niet veel dekking van de laatste. Ze kwamen uit bij een lange, smalle brug van grijze steen. Luwen bewoog zijn lippen opzij. De rivier hieronder lijkt lang geleden te zijn opgedroogd. Zag het er zo ooit uit in de eindtijd van Nederia? Er waren steile wanden aan de zijkanten waar de rivier ooit stroomde, en ook beneden was er geen beschutting, behalve de smalle schaduw van de brug.
Galendil gromde. “Ik haat het, maar we moeten over de brug. Het duurt te lang om naar beneden te gaan en dan weer omhoog. Laten we er snel over gaan.” Hij begon oranje te gloeien, waardoor ze werden versterkt. “Rennen, dwazen!” Hij sprintte weg.
Luwen slaakte een diepe zucht en voelde zich versterkt door de magie van Galendil. Daarna rende hij samen met de rest de brug op. Ze moesten snel zijn en voorkomen dat de vijand hen zou zien.
Het eerste kwart van de brug ging gemakkelijk voorbij. Luwen zweette niet eens. Er kwamen echter meer gaten in de brug en het pad werd smaller. Halverwege waren anderen voor hem gestopt. Luwen fronste zijn wenkbrauwen. Is de brug gebroken?
Galendil stond roerloos midden op de brug. Hij zuchtte. “Dus, we gaan de tempel niet bereiken zonder hem te bevechten. Verdomd. Ach ja.”
Shit. Luwen keek om zich heen. Hij zag nog geen vijand.
“Is het die klodder in de lucht?” Deroan stak zijn vinger op en wees in de lucht.
Galendil knikte.
Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes en keek waar Deroan naar wees. Een klodder overdreef misschien al de omvang van wat hen naderde. Het leek hem meer op een zwarte vogel. Het ging recht op hen af, als een pijl.
“Hij zal ons niet meteen aanvallen,” zei Galendil nuchter. “Verzamel je krachten. Hou vast aan wat we de afgelopen weken hebben gedaan, en doe het dan beter. Of we verslaan hem, of we sterven.” Hij balde zijn vuisten. “Laat dit niet het einde van onze zoektocht zijn.”
De zwarte vlek in de lucht werd groter en naderde hen. Het ziet er helemaal niet groot of dreigend uit? dacht Luwen, maar hij kon nog geen duidelijke vorm zien.
Het zwarte wezen stortte voor hen neer. Stof schoot de lucht in en verschillende stenen brokkelden af. De rook die uit het stof kwam, vervaagde langzaam. Ze konden eindelijk voor het eerst de vorm van hun vijand zien. Het was de vorm van…
Een man. Alleen een man.
De rook klaarde op. Luwen kon nu duidelijk zien waar ze voor stonden; een ridder in volledig zwart pantser met brede, wit gevederde vleugels. Hij droeg een helm met zeven hoorns alsof het een gewei was, en hanteerde een lange rechte speer die kristallijn en blauw leek. Een tinteling schoot door Luwen. Het ziet er niet gemeen uit, maar ik voel iets… Is dat kracht?
“Het is een ridder,” zei Luro, die tot dezelfde conclusie kwam als Luwen. “Het is maar één ridder.”
Galendil knikte. “Hij is een ridder.” Hij perste zijn lippen op elkaar. “Hij is de enige bewaker van Florendel: Robialt. Deze ridder… In de gloriedagen van Florend was hij de machtigste ridder die het land ooit had gezien. Hij vocht tegen de nurls en andere duistere wezens toen Ghalva deze plek begon over te nemen. Hij was de uitverkorene van Florend om hun land te verdedigen en was het krachtigste wapen geschonken. Een tijd lang deed hij meer dan eervol werk, althans dat zeggen de oude geschriften. Tijdens één missie slaagde Ghalva erin Robialt in duisternis te hullen en hem te corrumperen. Zijn witte pantser werd zwart en Robialt kreeg vleugels. Het maakte hem machtiger dan ooit tevoren, maar zijn ziel was gestorven. Zijn lichaam was veranderd in een marionet voor Ghalva. De grootste verdediger van Florend werd zijn grootste vijand, een leider van legers. Het land hield daarna niet lang meer stand.”
Robialt stond roerloos als een standbeeld, hoewel Luwen heldergroene ogen rond de oogspleten van de helm heen kon zien schieten die elk van hen gadesloeg.
“Je hebt eerder met hem gevochten. Wat voor soort magie gebruikt hij?” vroeg Deroan.
Galendil zuchtte. “Geen. Nou ja, ik ben er vrij zeker van dat het lichaam van Robialt wordt aangedreven door een soort magie, niemand weet zelfs hoe hij er momenteel uitziet achter het pantser, maar hij is simpelweg waanzinnig sterk, snel en heeft een lichaam dat bijna onmogelijk te verwonden is.” Hij deed een stap naar achteren en begon oranje te gloeien, waardoor ze weer werden versterkt. “Neem je posities in. Als hij klaar is met ons te inspecteren, zal hij aanvallen.”
“Schilden naar voren!” Deroan instrueerde met luide stem. “Luro, steun ze met je kracht. Eziel, maak iets…”
Robialt zette zijn rechtervoet naar voren en hief zijn witte vleugels op. Luwens ogen werden groot. Ze zijn zo groot als zijn lichaam!
“Hij komt al!” riep Kran.
Robialt schoot naar voren en ging in een rechte lijn met zijn mystiek ogende speer omhoog naar Gren en Kirn. Als reactie hieven ze hun schilden op.
De zwarte ridder kwam tot een meter voor de verdedigingslinie, liet toen één van zijn vleugels zakken en stormde naar rechts.
“Wat in Areos!” schreeuwde Luro.
Weer een snelle beweging van Robialt. Hij was nu in hun midden en schoot sneller naar links en rechts dan ze konden reageren.
Paniek brak uit onder hen. Hoe gaan we om met deze snelheid?! dacht Luwen.
“Iemand, hou hem tegen!” riep Tan.
Het was te laat. Robialt had het einde van hun groep bereikt waar de boogschutters bijna weerloos stonden. Hij deed een uitval naar Gwaire die alleen zijn boog hanteerde, nutteloos in een gevecht van dichtbij.
Robialt doorboorde Gwaire. De boogschutter uit Nederia probeerde te ontwijken, maar zijn rechterarm ging te laat uit de weg. De blauwe speer doorboorde Gwaires pols. De speer verliet het lichaam van Gwaire en bloed schoot eruit. Gwaire viel gewond op de grond. Robialt draaide zich om naar Kevan en zwaaide het blauwe wapen ook naar hem toe.
Kevan liet zijn boog los en dook opzij. Hij slaagde erin de klap te ontwijken, maar zijn boog werd doormidden gesneden en onbruikbaar gemaakt. Kevan gloeide oranje en sprong naar voren, zeker in een poging Robialt te grijpen en zijn vervalkracht te gebruiken.
Robialt sprong behendig terug over de brug, buiten zijn bereik.
“De klootzak,” mompelde Deroan. “Hij heeft onze langeafstandsaanvallers al uitgeschakeld. Ons beste wapen tegen zijn vliegen.”
“We kunnen hem niet meer langs ons heen laten duiken!” zei Luwen. “Misschien kan dat als we een sterk front vormen.”
Deroan knikte. “Laten we een bredere verdediging maken, maar ook wat achterin laten. Hij kan ons overal aanvallen.”
“Ik zal Gwaire beschermen.” Gren rende naar de gewonde boogschutter, die al een dolk had gepakt en tartend keek naar Robialt.
Robialt stormde weer naar voren en vloog dicht bij de grond met zijn speer zijwaarts naast hem.
“Ik pak ‘m!” Luro gloeide oranje en sprintte naar de kop van de groep. Hij zwaaide met zijn tweehandige zwaard net toen Robialt hen naderde.
De wapens botsten. Een hoge, zachte ring resoneerde over de brug.
Robialt werd teruggeduwd, maar slaagde er toch in de aanval te weerkaatsen.
Luwen gromde. Dus een zwaai van een versterkte Luro is vergelijkbaar met de kracht van Robialt… Robialt is tenminste niet krachtiger, maar wat een verbazingwekkende kracht.
Robialt vloog van de brug en viel hen aan vanaf de zijkant. Ze blokkeerden elke aanval, maar al snel kwamen er nieuwe. Ze pareerden enkele aanvallen, maar slaagden er nooit in een aanval op de behendige vijand uit te voeren. Meer dan dat, de techniek van Robialt was ook de beste die Luwen ooit had gezien. Met welke wapens ze hem ook probeerden aan te vallen, Robialt slaagde erin ze af te weren.
De strijd woedde voort, waarbij geen van beide partijen enige schade toebracht.
“De zeik hiermee!” schreeuwde Eziel. Hij gloeide al een tijdje oranje en toverde constant wapens. Nu balde hij zijn vuisten en leek bijna oranje energie uit te stralen.
Eziel is machtig geworden… Hoe lang kan hij dit volhouden? vroeg Luwen zich af.
Voor nu was het zeker dat Eziel dat kon. Hij stak een hand uit en daar manifesteerde zich een werveling van oranje deeltjes. Eziel maakte een enorm wapen in de richting van Robialt.
Luwen hield zijn hoofd schuin. Is dat nog steeds één wapen?
Eziel hield een soort schild vast waar minstens een dozijn wapens uit groeiden. Zwaarden, hellebaarden en knotsen staken groots uit.
“Laten we eens zien hoe je dit pareert, gedrocht!” Eziel lachte waanzinnig, alsof hij bezeten was.
Zoals altijd zei Robialt niets terug. Toch bleef de ridder even stilstaan en raapte een grote steen op. Hij vloog in de lucht en hief het projectiel op.
Luwen fronste zijn wenkbrauwen. Zelfs als hij het gooit, kan Eziel het simpel afweren.
Robialt hief zijn arm naar achteren en gooide de steen naar beneden.
Niet richting Eziel, maar naar de grond naast Eziel.
De steen raakte de grond. Enkele stenen van de brug zijn losgekomen. Eziel moest rondspringen om niet van de brug te vallen.
Hij verloor zijn evenwicht. Het enorme wapen was niet langer op Robialt gericht. Shit! Dat was zijn plan, besefte Luwen.
De gevleugelde ridder dook naar beneden. Eziel probeerde met zijn monsterlijke wapen te zwaaien, maar Robialt sloeg het weg met zijn pantserhandschoen, waardoor Eziel onbeschermd achterbleef.
Robialt doorboorde hem in de maag.
“Jij tru-” Eziel hoestte bloed op.
Robialt liet zijn speer los en stapte achteruit voordat andere Nederianen hem konden aanvallen.
“Eziel!” Desmond rende naar de gevallen krijger en probeerde hem zo goed mogelijk te helpen. Eziel was zwaar gewond.
“Dat was maar een cadeau van de omgeving,” zei Kirn ontevreden.
Galendil gromde. “Accepteer het en ga verder! We staan nog steeds.”
“Wat doen we?!” schreeuwde Deroan. “We hebben bijna geen opties meer!”
Galendil klemde zijn tanden op elkaar. “Dan maken we verdomme opties.” Hij wendde zich tot Luro. “Jij, vernietig de brug.”
Luro knipperde snel met zijn ogen. “De brug vernietigen?! Dan vallen we!”
“En dan staan we weer op!” Galendils neusvleugels spitsten zich open. Hij werd kwaad. “Het kan me niet schelen of dat inspirerend is of niet. Dit gevechtsterrein past niet bij ons, dus creëren we een nieuwe. Deroan, ik zal wat telekinese-magie produceren en jij gebruikt het om een schild te vormen om onze val te breken.”
Deroan knikte. “Dat kan ik.”
Eziel schraapte zijn keel. “Kevan kan de brug vernietigen!” zei hij met een schorre stem. Hij leek niet genoeg verwond om iets te zeggen. “Hij heeft de kracht van verval!”
Galendil zuchtte. “Het is het verval van levende wezens, idioot. Hou je mond en concentreer je op beter worden.”
Luro haalde zijn schouders op. “Dus, vanaf nu ben ik de vernietiger van bruggen. Kran, versterk mijn wapen.” Luro’s zwaard begon oranje te gloeien, en de man zelf ook. “Alles of niets, jongens.” Hij hief zijn wapen, schreeuwde en hakte de grond weg.
De brug trilde. Bakstenen vielen.
Luro sloeg opnieuw, en opnieuw.
De brug brak.
De grond onder Luwen begaf het. Waar zijn we in Areos mee bezig?! dacht hij terwijl hij in de lege rivier viel.
Twee meter voordat hij de grond raakte, ving een zacht kussen van oranje magie hem op en liet hem weer vallen. Het bezorgde hem een lichte blauwe plek, maar niets ernstigs. Ze waren allemaal zonder enig letsel naar beneden gekomen, Desmond ondersteunde nog steeds Eziel die in groot gevaar leek te verkeren, maar het voorlopig leek vol te houden.
Robialt daalde langzaam af, staarde hen onafgebroken aan en landde op de grond. Luwen bewoog zijn lippen opzij. Ik krijg het vreemde gevoel dat hij die roekeloze zet respecteerde.
Galendil sloop naar hem toe. “Luwen,” fluisterde hij, “doe je ding!”
Luwen fronste zijn wenkbrauwen. “Hij kan gewoon wegvliegen als ik dat doe!”
Galendil gromde. “Doe het dan beter!”
Luwen stak zijn handpalmen in de lucht. Hij gromde, maar gehoorzaamde. Als het een wonder is dat we nodig hebben, laten we er dan één maken. Hij hief zijn handen op en liet het vuur binnenin opzwellen en nog meer opzwellen. Ik heb nu iets speciaals nodig. Hij liet de oranje magie uit zijn handen los en stuurde het naar beneden waar hij stond. Ondergronds richtte hij het op Robialt, in de hoop dat de zwarte ridder de aardbeving te laat zou opmerken en zijn evenwicht zou verliezen voordat hij weg kon vliegen.
Areos begon te rommelen, en nog geen seconde later begon het gebied rond Robialt al te trillen.
De zwarte ridder keek snel naar links en rechts, voor het eerst leek hij verward. Luwen glimlachte en verhoogde zijn magie. We zijn nog niet klaar. De grond rond Robialt bewoog en barstte, bijna iedereen zou nu vallen.
Robialt klapperde met zijn vleugels. Hij zweefde boven de grond, onaangetast door de bevingen.
Luwen gromde. Nee! Nee! Verdomme nee! Hij klemde zijn tanden op elkaar en liet het vuur een deel van hem verteren.
Het beven nam toe, maar had nog steeds geen invloed op Robialt. De zwarte ridder staarde hem nu recht aan en hief zijn wapen.
Komen dan! dacht Luwen, zonder enige rationaliteit.
De zwarte ridder stormde op hem af, een vliegende dreiging waar geen aardbeving ooit invloed op zou kunnen hebben.
Luwen schreeuwde.
Er schoot iets uit de grond.
Robialt hing stil en bleef roerloos in de lucht hangen.
Luwen pufte, in eerste instantie niet eens beseffend wat hij had gedaan. Toen zag hij het. Een dikke bruine stam was uit de grond geschoten en had zich om Robialt heen gewikkeld. Wat in Areos, dacht Luwen. Hij had op deze verlaten plek een boom laten groeien en die over Robialt gebogen. Hij kon de boom ook voelen, en sturen. Hij verstrikte Robialt stevig en zorgde ervoor dat de ridder niet weg kon vliegen.
“Val aan!” schreeuwde Tan.
Een versterkte Gren was de eerste die naar voren sprong. Hij sprong behendig over de gevallen stenen, alsof het stapstenen waren. Hij hief zijn speer tegen Robialt, die zich nauwelijks kon bewegen.
Gren raakte Robialts arm. De blauwe kristallijne speer viel op de grond.
Ja! Luwen glimlachte breed. Het kan nog steeds! Een ontzagwekkende kracht duwde tegen de klem van de boom. Robialt probeerde los te komen.
“Ik kan dit niet lang volhouden!” schreeuwde Luwen.
De andere krijgers uit Nederia waren ook binnen bereik om de vastzittende vijand aan te vallen. Ze probeerden hem te raken terwijl Luwen al zijn kracht gebruikte om te voorkomen dat de ridder zou ontsnappen.
Robialt was nog niet verslagen. Hij worstelde constant en slaagde er nog steeds in om aanvallen te blokkeren met zijn sterke pantserhandschoen, en de treffers die ze kregen, doorboorden zijn pantser niet.
“Ik heb bijna geen energie meer!” riep Luwen.
“We moeten iets doen!” zei Kirn. Zijn camouflage had helaas weer niet veel gedaan.
Plotseling klonk er een luide zucht van Tan. “Shit. Oké dan… Luro, laten we dat nog een keer doen.”
Luro fronste zijn wenkbrauwen. Toen werden zijn ogen groot. “Weet je het zeker? Je was niet blij dat ik het de laatste keer deed.”
Tan zuchtte. “Dat ben ik nog steeds niet. Maar we zijn vandaag al van tactiek veranderd… Laten we deze klootzak nu van bovenaf aanvallen in plaats van andersom.”
Luro haalde zijn schouders op. “Prima. Schop hem in elkaar.”
Waar hebben ze het in Areos over? dacht Luwen. Zolang ze het snel doen, kan het me niet schelen.
Luro rende naar Tan en greep hem toen bij zijn benen. Luwens ogen werden groot. Dat zijn ze van plan! Net als tegen de kolos. Gekken!
Terwijl hij oranje gloeide, slingerde Luro Tan met zijn twee zwaarden over Robialt. Tan vloog de lucht in en ging recht in de richting van Robialt.
Luwen gebruikte zijn laatste restje kracht om Robialt nog een seconde langer vast te houden.
Robialt brak los.
Tan stortte neer op de zwarte ridder. Zijn twee zwaarden groeven zich in de vleugels en het pantser eronder.
De zwarte ridder werd op de grond gedwongen. Zijn pantser barstte licht.
Luwen hapte naar adem. We hebben hem neer!
Elke krijger van Nederia schreeuwde het uit van vreugde. Als Robialt een seconde eerder was ontsnapt, waren ze hem kwijt geweest. Op de één of andere manier waren ze erin geslaagd het gevecht om te keren.
Robialt balde een vuist en sloeg Tan weg. De zwaarden vielen samen met Tan op de grond.
“Shit!” zei Luwen. “Hij is nog steeds sterk genoeg!”
Robialt leunde op zijn handen, greep zijn blauwe speer en stond langzaam op. Hij rende van hen weg, bijna hinkend.
“Zeker niet! Jij blijft hier!” Kirn rende naar Robialt, klaar om hem neer te slaan met zijn zwaard.
De zwarte ridder klapperde met zijn vleugels. Het zag er onhandig uit, als een gekwetste vogel. Toch vloog hij opnieuw de lucht in.
“We zullen hem pakken zodra hij naar beneden komt!” schreeuwde Desmond.
Robialt komt niet naar beneden, besefte Luwen. De ridder vloog eenvoudig rondjes in de lucht.
“De klootzak.” Galendil gromde. “Hij regenereert.”
Luwen kneep zijn ogen tot spleetjes. Galendil had gelijk. Zelfs het stuk pantser dat ontbrak, hervormde zich langzaam.
Deroan liep naar Luwen toe en streelde z’n eigen kin. “Jouw magie … Het is op zichzelf niet zo krachtig … maar op de één of andere manier manifesteert het zich groter dan bij ieder van ons… Ik kan het niet repliceren of erachter komen.”
Luwen gromde. “Dat zou leuk geweest zijn. Wat doen we nu?”
Niets. Ze konden niets doen. De boog van Gwaire was ook vernietigd in het gevecht en ze konden alleen maar wachten op hun tegenstander.
“Eén wond meer zou genoeg zijn geweest om hem te doden,” mompelde Luro. Het was duidelijk dat hij zich benadeeld voelde.
Galendil zuchtte. “Dat mag zo zijn, maar daarom is het een machtige vijand. Bereid jullie voor.”
Tan en Desmond probeerden tijdens het wachten hun magie te ontdekken, maar ze leken nog steeds niet in staat om hun vaardigheid te achterhalen.
Hoog in de lucht vloog Robialt nog steeds rond, als een gier die wacht op een prooi die niet wil sterven.
“Hij zal ons nu roekeloos aanvallen,” zei Galendil. “Van nu af aan zal hij bang zijn om op de grond te vechten, maar hij zal ons niet door Florendel laten gaan. Ook zijn regeneratie kost hem energie. Hij heeft nog één goede aanval over. Vanaf nu is het een kwestie van wie de ander het eerst raakt.”
Twee minuten later maakte de gevleugelde ridder eindelijk zijn zet. Hij dook naar beneden met een enorme snelheid, die hij duidelijk had opgeslagen. Met zijn speer naar voren ging hij recht op Luwen af.
Hier komt het beslissende moment, dacht Luwen. Hij hield zijn zwaard gereed en ademde langzaam, zich voorbereidend om de stoot te onderscheppen en aan te vallen voordat Robialt dat kon.
Luro sprong voor hem uit, daarna deed Gren dat ook.
“Laten we hem voor je pakken,” zei Luro.
Luwen beet op zijn lip. Wat een geluk om dit team te hebben.
Robialt naderde. Het zou hier en nu beslist worden, wist Luwen.
Robialt sloeg als eerste.
De speer doorboorde eerst Grens schild, daarna Gren en vervolgens Luro. Hij stopte vlak voor Luwen.
Luwens mond viel open. Hij viel op zijn knieën. “Nee! Niet hun! Geen van ons!”
De zwarte ridder trok zijn speer terug uit Luro en Gren, die beiden onmiddellijk roerloos op de grond vielen. Toen ging Robialt op Luwen af en sloeg hem weg met de zijkant van de speer. Luwen werd in de lucht geslingerd en botste tegen de zijkant van de muur. Zijn hele lichaam deed pijn, alsof de helft van zijn botten gebroken was door de twee inslagen. Hij kon niet meer bewegen.
Daarna leek Robialt niet te stoppen. Ze slaagden erin om een paar krassen op het pantser van Robialt te krijgen, maar de zwarte ridder negeerde ze allemaal en viel roekeloos aan.
Desmond probeerde Robialt met zijn bijl te klieven, maar de zwarte ridder ontweek de aanval en ramde zijn speer in Desmonds nek.
Kevan sprong van achteren op Robialt, zijn handen klaar om Florendels bewaker tot stof te laten vergaan. Robialt draaide zich om en doorboorde Kevans borst, waarna hij de dappere krijger van zijn speer liet glijden zonder dat één van beide een geluid maakte.
Deroan was naar Gren gehaast in een poging zijn gevallen geliefde te genezen. Hij werd in de rug gestoken en viel in Grens armen in een grote plas bloed.
Kirn gebruikte zijn camouflage om Robialt te besluipen. De zwarte ridder hief zijn hoofd op, luisterde en zwaaide toen met zijn wapen in een cirkel. Kirns buik werd opengescheurd. Robialt maakte hem af met zijn volgende aanval, waardoor Kirn onzichtbaar dood achterbleef.
Gwaire gooide een dolk de lucht in en veranderde de koers met zijn magie. Robialt ving de dolk en slingerde hem terug naar Gwaire. Gwaire werd in het hoofd getroffen en viel voorover.
“Nee! Nee!” Galendil schreeuwde het uit. “Stop dit!”
Tan, de held met twee zwaarden, rende klaar voor de strijd naar Robialt. Zelfs nadat zoveel van zijn medestrijders waren gevallen, leek hij vastbesloten om deze vijand neer te halen. Hij ging het gevecht van dichtbij aan.
Robialt ontwapende Tan’s eerste zwaard.
Robialt ontwapende Tan’s tweede zwaard.
Robialt stak Tan in de ingewanden. Tan overleed.
Kran hief zijn versterkte langzwaard op en zwaaide het verticaal naar Robialt. De zwarte ridder ontweek het. Hij zwaaide met zijn wapen en hakte Krans hand af. Toen sneed hij in Krans nek en onthoofdde hem bijna. Kran viel bij de anderen op de grond.
Luwen lag op de grond met open mond, bevroren. Mijn broers… Nederia. Nee. Het zal hier eindigen. Nee… Er viel een traan over zijn wang.
“Ik ben er nog, jij gepantserde merel.” Eziel leunde op een getoverde strijdknots. Hij schommelde van links naar rechts, nog steeds gewond, hoewel hij natuurlijk glimlachte. Hij toverde een speer tevoorschijn en richtte die op Robialt.
De zwarte ridder hief zijn vleugels op en stormde op Eziel af. Hij ontweek gemakkelijk Eziels stil hangende speer en doorboorde Eziel door zijn borst.
Eziel hoestte bloed terwijl de speer nog in hem zat. Hij grijnsde en zag bleek. “Is dat alles wat je hebt?” Zijn ogen vielen dicht en zijn hoofd naar voren.
Alleen Galendil and Luwen waren nog in leven gelaten. Luwen voelde dat het leven hem verliet. Ik red het niet. Niemand van ons zal het halen. Hij keek naar beneden.
“Waag het niet om nu in slaap te vallen!” Galendil schreeuwde naar hem. “L-“
Robialt stak Galendil neer.
Galendil stopte met oranje gloeien, en hing aan de speer en gromde. “Luwen… hoe pijnlijk dit ook is, hoor en weet dit. Mijn lichaam zal hier sterven, maar mijn magie gecombineerd met mijn geest zal voortleven. Ik zal mezelf door de jaren heen opnieuw opbouwen. Ik krijg een nieuw lichaam, met een nieuwe naam. En al degenen die mij kenden als Galendil zullen alleen mijn nieuwe naam kennen. Maar jij, Luwen, je zult me altijd kennen als Galendil. Ik wou dat we verder waren gekomen… Ik wou…” Hij liet een traan vallen, een oprechte maar ook onwerkelijk ogende traan. Het lichaam van Galendil werd langzaam transparant, alsof het veranderde in pure oranje magie. “Ik zal nog een groep krijgers halen. Voor Nederia.” Hij staarde Luwen intens aan en knikte. De overtuiging in zijn gezichtsuitdrukking had hem zelfs nu niet losgelaten. “Ooit.” Hij keek om zich heen, kijkend naar alle gevallen krijgers. Hij zuchtte, zijn karakteristieke zucht. De stroom van oranje energie in de vorm van Galendil sloot zijn ogen. Toen schoot het de lucht in en ging naar het oosten.
Met zijn laatst overgebleven kracht balde Luwen zijn vuist. Ooit. Ooit. Hij sloot zijn ogen en voelde het gerommel onder de grond tot zijn hart stopte met kloppen.
—
Helaas, erg helaas, was dit het laatste hoofdstuk voor nu. Hopelijk volgt er snel een nieuw avontuur van Nederia. Blijf op de hoogte door je hieronder in te schrijven!
Wil je de schrijver net zo steunen als dat je Luwen en Nederia aanmoedigt? Overweeg een donatie!
Voor meer verhalen klik hier.
Stay tuned.
Want to follow the stories? Submit to stay up to date on new episodes, new novels and new artwork.
Contact
L. Pelgrim
Mail: writer.leonpelgrim@outlook.com